Het fenomeen van de ‘lekkende pijplijn’, het verlies van vrouwen of etnische minderheden op verschillende momenten tijdens de loopbaan, wordt door universiteiten, de overheid en het bedrijfsleven als een probleem erkend. Inzicht in de achtergronden en de aard van het bestaan van dit verschijnsel in de wetenschap is echter beperkt aanwezig binnen Nederlandse universiteiten. Is het wel zo dat vrouwen en etnische minderheden nog steeds minder vaak in wetenschappelijke, ondersteunende en beheersfuncties instromen? Of is het instroomniveau de oorzaak van de ongelijke vertegenwoordiging van deze minderheid? En hoe is het gesteld met de doorstroming naar hogere wetenschappelijke posities? Om meer inzicht te krijgen in de wijze waarop de loopbanen van vrouwen en etnische minderheden zich ten opzichte van hun mannelijke en autochtone collega’s ontwikkelen, is een onderzoek verricht binnen de Erasmus Universiteit Rotterdam. Het jaarlijkse aandeel afgestudeerde vrouwen aan universiteiten in Nederland is het afgelopen decennium betrekkelijk stabiel en ligt rond de 50%.2 In veel studierichtingen vormen vrouwen inmiddels de meerderheid van de studenten. De EUR telt in het studiejaar 2005-2006 1268 vrouwelijke studenten die een masteropleiding volgen. Dat is 41,5% van het totaal aantal Master studenten. Volgens de personeelssamenstelling van juni 2006 is het aandeel vrouwelijke wetenschappers binnen de EUR 28,1%3. De EUR moet ernaar streven om zeer talentvolle vrouwen en etnische minderheden voldoende te interesseren voor een wetenschappelijke loopbaan en/of geïnteresseerd te houden in de wetenschap.

Additional Metadata
Keywords EUR, ethnische minderheden, gender, personeelsmanagement, vrouwen
Publisher Erasmus University Rotterdam
Sponsor ESF EQUAL
Persistent URL hdl.handle.net/1765/14582