‘De bijzondere gemoedsbeweging waarin de moeder verkeert, onder den invloed van vrees voor de ontdekking van hare bevalling, is de regtskundige grond voor de ligtere strafbaarheid’, zo lichtte de wetgever de bijzondere strafbepalingen van artikel 290 (kinderdoodslag) en artikel 291 (kindermoord) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toe. Er ligt dus een zeker mededogen aan deze bepalingen ten grondslag, een mededogen met de vrouw die in een dergelijke penibele positie verkeert. En dat lijkt me terecht. In welke staat van wanhoop moet een vrouw zich wel niet bevinden als ze haar zwangerschap en alle verschijnselen die daarmee gepaard gaan verzwijgt, zonder enige hulp van buitenaf een pijnlijke bevalling doorstaat en dan haar pasgeboren baby doodt? Het moet een regelrechte hel zijn, waar geen vrouw zich voor haar plezier aan zal onderwerpen. ...

Additional Metadata
Persistent URL hdl.handle.net/1765/31716
Note Redactioneel 'Ten Geleide'
Citation
uit Beijerse, J.. (2011). Het strafrecht en ruimte voor bezinning. Proces. Maandblad voor Berechting en Reclassering, 90(3), 123–124. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/31716