<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no" ?>
<rss version="2.0">
  <channel>
    <title>Kwee, M.G.T.</title>
    <link>http://repub.eur.nl/res/aut/18060/</link>
    <description>List of Publications</description>
    <language>en</language>
    <image>
      <url>http://repub.eur.nl/static-eur/img/logo.png</url>
      <title>RePub, Erasmus University Rotterdam</title>
      <link>http://repub.eur.nl</link>
    </image>
    <item>
      <title>Multimodal therapy in an inpatient setting (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/15228/</link>
      <pubDate>1986-12-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Inpatient Multimodal Therapy (imt) is a residential treatment program, lasting a maximum of 36 weeks, for patients with severe neurotic symptoms. A group of 44 chronic obsessive-compulsive patients and a group of 40 chronic phobic patients were treated in order to assess the outcome and the process of treatment and to identify prognostic factors associated with the effect. At follow-up-on average, eight months after discharge-it was found that 60% had improved, 32% had remained the same, and 8% had deteriorated, indicating that, in general, the treatment was beneficial. That these effects were long-lasting is supported by the fact that, at follow-up, 78% of all patients were no longer receiving treatment, 18% were receiving outpatient or day treatment, and 4% were receiving inpatient treatment. Phobic patients appear to have gained more from the multimodal approach than did obsessive-compulsive patients, as indicated by the fact that the severity of symptoms decreased as they improved in rational thinking, assertiveness, and arousal. By contrast, obsessive-compulsive patients relapsed more than phobic patients did. This was attributed to the fact that the former gained less from the rational-emotive training, denied problems with assertiveness, and did not practice the acquired relaxation skills. It further appeared that a favorable outcome could be induced in patients who (1) expressed relatively mild symptoms in this otherwise severe group, (2) reported relatively few additional complaints, (3) could clearly indicate interpersonal problems, and (4) did not use psychotropic drugs. These prognostic factors are so widespread that not much weight can be ascribed to them. Yet they are useful for indication of imt until better predictors are found.</description>
    </item> <item>
      <title>Klinische multimodale gedragstherapie : verkennend onderzoek naar effekt, proces en voorspellende faktoren bij chronische fobieën en dwangneurosen (Doctoral Thesis)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/38463/</link>
      <pubDate>1984-02-29T00:00:00Z</pubDate>
      <description>De kritiek die voor de literatuur betreffende therapie-effekten geldt, is
mutatis mutandis ten aanzien van de toegepaste methodologie ook hier op
dit onderzoek van toepassing. Derhalve is het nodig een aantal kritische
kanttekeningen te maken, binnen welk raamwerk de resultaten van dit
onderzoek dienen te worden bezien. In de eerste plaats zij opgemerkt dat
in een werksituatie waar dienstverlening op de eerste plaats staat,
noodzakelijk geachte therapeutische interventies niet kunnen worden
onthouden. Derhalve ontbreken gegevens van een niet-behandelde
kontrolegroep en kan het effekt van klinische multimodale gedragstherapie
niet beter dan d.m.v. intra-individuele kontrole worden onderzocht.
Indien uit de gegevens blijkt dat de tussen-, ontslag- en fellow-upmeting
gunstiger uitvallen dan de voor- en opnamemeting is het verdedigbaar te
konkluderen dat de gevonden veranderingen toegeschreven kunnen worden aan
de behandeling. Daarbij is de statistische norm voor een gunstig effekt
dermate hoog opgevoerd dat het gewicht van de konklusie ten aanzien van de
effektiviteit hierdoor wordt verzwaard. Er werd getracht binnen het kader
van de beperkingen van de onderzoeksmethode zo exact mogelijk te werken.
Het aanbrengen van getallen, tabellen, figuren en het toepassen van
statistische analyses kunnen de beperkingen van een quasi-experimentele
opzet echter niet teniet doen. Het nadeel van het ontbreken van een
niet-behandelde kontrolegroep kan enigermate worden ondervangen, ofschoon
niet geheel worden opgeheven. Het onderzoek is en blijft verkennend c.q.
beschrijvend van aard en de resultaten dienen dan ook als zodanig te
worden geinterpreteerd.
Door de aard van de werkwijze geeft multimodale therapie beperkingen
ten aanzien van het onderzoek naar de specificiteit van de
therapie-effekten. Een multimodale kijk op gedrag komt overeen met de
''drie-systemen" theorie over emotie. Deze houdt in dat cognitieve
processen, motorische handelingen en psychefysiologische "arousal"
betrekkelijk onafhankelijk van elkaar funktioneren, en ook in de therapie
betrekkelijk onafhankelijk van elkaar kunnen veranderen. Vanuit deze
gedachtengang is het noodzakelijk dat in de verschillende gedragsdimensies
wordt geintervenieerd. Het BASIC-I.D. kan worden beschouwd als een
verdere uitwerking van de "drie-systemen" theorie doordat de zeven
modaliteiten hiervan een meer verfijnde indeling inhouden. Door het
BASIC-I.D. als een "checklist" te gebruiken, wordt in klinische
multimodale gedragstherapie ernaar gestreefd dat zoveel mogelijk dimensies
in de behandeling worden betrokken. De funktionele waarde van het
BASIC-I.D. wordt ondersteund door de resultaten van het onderzoek waarin
veranderingen in denken, voelen en handelen op verschillende wijze werden
bewerkstelligd. Het feit dat veranderingen ten gunste zich op
verschillende gebieden voordoen, bevestigt de klinische indrukken en is in
overeenstemming met de doelstelling waaraan in multimodale therapie wordt
gewerkt</description>
    </item>
  </channel>
</rss>