<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no" ?>
<rss version="2.0">
  <channel>
    <title>Hulst, J.W. van der</title>
    <link>http://repub.eur.nl/res/aut/26726/</link>
    <description>List of Publications</description>
    <language>en</language>
    <image>
      <url>http://repub.eur.nl/static-eur/img/logo.png</url>
      <title>RePub, Erasmus University Rotterdam</title>
      <link>http://repub.eur.nl</link>
    </image>
    <item>
      <title>Het bewijs van de verweten gedraging (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/39066/</link>
      <pubDate>2012-12-18T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Dit artikel bevat een verkenning naar het bewijs in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Na een korte schets van het bewijs in het (punitieve) bestuursrecht komt aan de orde wanneer er sprake kan zijn van bewijs voor de oplegging van een administratieve boete aan een betrokkene. De Wahv-rechter is in beginsel vrij in het waarderen van bewijs. Binnen dit uitgangspunt komt een sterke positie toe aan de op ambtseed opgemaakte verklaring van een aangewezen ambtenaar. Dit is op zichzelf voldoende voor het bewijs van de verweten Wahv-gedraging. Dit laat betrekkelijk weinig ruimte voor overtuigend tegenbewijs door de betrokkene. Deze dient dit tegenbewijs bovendien te onderbouwen met specifieke feiten en omstandigheden die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van de op ambtseed opgemaakte verklaring en die leiden tot de conclusie dat de betrokkene de hem verweten gedraging niet heeft verricht.</description>
    </item> <item>
      <title>De doorberekening van administratiekosten bij verkeersboetes (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/37294/</link>
      <pubDate>2012-01-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>De laatste jaren is het gebruikelijk dat bij de afdoening krachtens de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) administratiekosten in rekening worden gebracht aan de verkeersovertreder. Deze kosten worden doorberekend op grond van de gedachte ‘de vervuiler betaalt’. Maar mag dit ook? Deze vraag is begin dit jaar aan een kantonrechter te Amsterdam voorgelegd en zijn antwoord is een duidelijk ‘nee’. Deze opvatting is recent echter met succes betwist in hoger beroep bij het Hof Leeuwarden.
</description>
    </item> <item>
      <title>De doorberekening van administratiekosten bij verkeersboetes (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/37295/</link>
      <pubDate>2012-01-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>De laatste jaren is het gebruikelijk dat bij de afdoening krachtens de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) administratiekosten in rekening worden gebracht aan de verkeersovertreder. Deze kosten worden doorberekend op grond van de gedachte ‘de vervuiler betaalt’. Maar mag dit ook? Deze vraag is begin dit jaar aan een kantonrechter te Amsterdam voorgelegd en zijn antwoord is een duidelijk ‘nee’. Deze opvatting is recent echter met succes betwist in hoger beroep bij het Hof Leeuwarden.
</description>
    </item> <item>
      <title>De nieuwe aanpak van rijden onder invloed van drugs (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/32886/</link>
      <pubDate>2012-01-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description></description>
    </item> <item>
      <title>De bijkomende kosten van een verkeersboete (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/34734/</link>
      <pubDate>2012-01-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Sinds 1990 worden lichte verkeersovertredingen bestuursrechtelijk afgedaan via de Wet administratiefrechtelijke afdoening verkeersdelicten (Wahv). De verkeersovertredingen waarvoor dit geldt worden in de bijlage  bij de Wahv genoemd. Tevens bevat deze bijlage de per overtreding op te leggen boete. Deze boete is gefixeerd , zodat de kosten van een lichte verkeersovertreding voor de overtreder gelijk zijn aan het bij de overtreding voorziene boetebedrag. Daarnaast kan de verkeersovertreder tijdens de afdoening krachtens de Wahv worden geconfronteerd met bijkomende kosten. Het gaat dan om de verplichte zekerheidstelling in de beroepsfase, wettelijke verhogingen en invorderingskosten tijdens de inning van de opgelegde sanctie en griffierechten tijdens de verzetsprocedure. Bovendien wordt sinds 1 juli 2009 bij elke opgelegde boete een vast bedrag aan administratiekosten (€ 6) in rekening gebracht. Deze doorberekening van administratiekosten is onlangs door een kantonrechter te Amsterdam niet toelaatbaar geacht.  Deze beslissing is om diverse redenen opmerkelijk. </description>
    </item> <item>
      <title>Prevention of fraud, corruption and bribery committed through legal entities for the purpose of financial and economic gain (Research Report)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/34736/</link>
      <pubDate>2012-01-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>In Dutch law there is no overall criminal offence on corruption. In Dutch criminal law corruption is divided in specific criminal offences which all have their own specific definition. Most corruption can be qualified as a criminal offence but it is sometimes difficult to qualify them as such. Qualifying in general as an offence is easy (forgery for example) but proving that the act specifically qualifies as corruption is harder. Given this general observation, a specific form of active corruption in the Dutch Criminal Code (DCC) seems relevant regarding to art. 2, par. 1, section a of the Framework Decision 2003/568/JHA of 22 July 2003 on combatting corruption in the private sector. Art. 328ter par. 2 of the DCC deals with bribery of a private person: punishable is the private person that gives or offers someone other than a civil servant, working in employement or acting as an agent, in exchange for something he has done or not done or will do or refrain from doing in the performance of his burden, a gift or promise, or a service of that nature or under such circumstances that he should reasonable assume that such a gift or promise will be withheld from his employer or principal contrary to good faith. This provision covers active corruption on the initiative of all private persons, including employees, managers and directors of private entities. However, this provision is limited to the bribery of employees and managers and seems to exclude the bribery of a director of a private entity. This means that this provision does not fully cover the obligation under art. 2, par. 1, section a of the Framework Decision 2003/568/JHA. In addition to art. 328ter DCC  more general provisions can be used, especcially when the active corruption involves bribery of a director of a private entity. Dependant upon the circumstances of the case the provisions on forgery, falsifying of documents and cheating could be relevant. These circumstances should then involve: the forgery of a written statement with the intention to use this statement as genuine (art. 225 DCC), the falsification of stock certificates or other official certificates or documents, (art. 226 DCC) or the elements of cheating. In art. 326 of the DCC cheating is described as: the person who intentionally favours himself or another person in a unlawfull way, by using a false name, a false capacity, cunning manouvres or fabrications, moving another person to hand over a good, a service, information or a debt.      
</description>
    </item> <item>
      <title>De vorderingsprocedure en de Nationale ombudsman (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/30708/</link>
      <pubDate>2011-12-12T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Delicten in het verkeerssanctierecht kunnen strafrechtelijk worden vervolgd en daarnaast aanleiding geven tot een bestuurlijke vorderingsprocedure. Deze procedure wordt uitgevoerd door het CBR en kan leiden tot het opleggen van diverse maatregelen aan de bestuurder van een verkeersvoertuig. Op basis van de uitkomst van onderzoeken naar de rijvaardigheid en rijgeschiktheid van de bestuurder kan worden besloten tot oplegging van een zogeheten educatieve maatregel en zelfs ongeldigverklaring van het rijbewijs. In deze bijdrage wordt het wettelijk kader van deze vorderingsprocedure beschreven waarna de opvattingen van de Nationale ombudsman over diverse aspecten van deze procedure worden bezien. Opvallend is dat in een aanzienlijk aantal gevallen de voor de overheid geldende termijnen niet worden gehaald. Dit is volgens de Nationale ombudsman vatbaar voor kritiek. In het verlengde van deze opvatting, wordt er in dit artikel op gewezen dat er met het oog op de belangen van de rijbewijshouder aanleiding is om termijnoverschrijdingen van de overheid (het CBR) eveneens met een bepaalde strengheid te beoordelen.</description>
    </item> <item>
      <title>De voortschrijdende bestuurlijke handhaving van het verkeerssanctierecht (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/26098/</link>
      <pubDate>2011-08-22T00:00:00Z</pubDate>
      <description>De laatste decennia is een ontwikkeling gaande waarbij niet langer enkel de strafrechtelijke afdoening bepalend is maar handhaving van het verkeersrecht door middel van bestuurlijke afdoening terrein wint. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de strafrechtelijke en bestuurlijke mogelijkheden om het rijbewijs van een bestuurder af te nemen. Het gaat dan om de strafrechtelijke invordering en inhouding van het rijbewijs, de ontzegging van de rijbevoegdheid, de bestuurlijke vorderingsprocedure, de recidiveregeling ernstige verkeersdelicten en het alcoholslotprogramma. Met dit scala aan afdoeningsmogelijkheden kan het voorkomen dat de bestuurder van een motorrijtuig geconfronteerd wordt met een strafrechtelijke en bestuurlijke handhaving waarbij in beide handhavingstrajecten de kans aanwezig is dat hij zijn rijbewijs (tijdelijk) verliest. Daarbij rijst de vraag of er sprake is van een dubbele bestraffing. Deze vraag wordt behandeld in samenhang met relevante rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat bij ernstige verkeersdelicten bestuurlijke handhaving naast strafrechtelijk handhaving juridisch toelaatbaar lijkt, waarbij wordt aangetekend dat dit voor de recidiveregeling ernstige verkeersdelicten minder evident lijkt.</description>
    </item> <item>
      <title>Aanhouding op heterdaad. Artikel 53 Strafvordering (In Book)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/26580/</link>
      <pubDate>2011-06-05T00:00:00Z</pubDate>
      <description>In het geval van ontdekking op heterdaad is ieder persoon bevoegd de verdachte(n) aan te houden. Dit dwangmiddel mag worden toegepast door opsporingsambtenaren en ambteloze burgers wanneer een strafbaar feit wordt ontdekt terwijl het wordt begaan of direct nadat het is begaan. Indien aanhouding wordt verricht door burgers, dan lijkt de duur van de aanhouding beperkt tot het moment dat de aangehouden persoon kan worden overgedragen aan een opsporingsambtenaar. Deze dient de aangehouden persoon zo spoedig mogelijk naar de plaats van verhoor te brengen. Het aanhouden van een verdachte mag tot op zekere hoogte worden geëffectueerd door een evenredige mate van geweld. In dit artikel wordt betoogd dat de marge voor geweldtoepassing door een burger die aanhoudt beperkter is dan het geweld dat een opsporingambtenaar bij aanhouding op grond van geweldsinstructies mag toepassen. Daarnaast brengt rechtspraak van het Europese hof voor de Rechten van de Mens met zich mee dat de aangehouden verdachte recht heeft op rechtsbijstand. De opsporingsambtenaar die aanhoudt zal de verdachte er ongevraagd op moeten wijzen dat deze het recht heeft om voor het politieverhoor een advocaat te raadplegen. Het raadplegen van een advocaat kan op diverse manieren plaatsvinden maar lijkt strikt noodzakelijk indien het gaat om de verdenking van ernstige strafbare feiten en bij jeugdige verdachten. </description>
    </item> <item>
      <title>Enige bijzondere dwangmiddelen. Artikel 52 Strafvordering (In Book)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/26581/</link>
      <pubDate>2011-06-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Een opsporingsambtenaar is bevoegd de identiteit van een verdachte vast te stellen en hem daartoe staande te houden. Dit dwangmiddel mag worden toegepast door alle personen die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast. Omdat enkel een verdachte mag worden staande gehouden, kan het staande houden van een niet-verdacht persoon onrechtmatig zijn en leiden tot bewijsuitsluiting. In dit artikel wordt bepleit dat een getuige niet zonder wettelijke grondslag mag worden staande gehouden. Het staande houden van een verdachte mag tot op zekere hoogte worden geëffectueerd door een lichte mate van geweld en omvat het vragen naar de persoonsgegevens van de verdachte en diens uiteindelijke reactie daarop. Voorts brengt rechtspraak van het Europese hof voor de Rechten van de Mens enkel met zich mee dat het recht op rechtsbijstand is voorbehouden aan verdachten die zijn aangehouden. Dit recht lijkt niet te gelden voor een staande gehouden verdachte. Daarnaast wordt betoogd dat toezichthoudende bevoegdheden in de Algemene wet bestuursrecht en de Wegenverkeerswet 1994 in bepaalde omstandigheden kunnen worden gecombineerd met het staande houden van een verdachte </description>
    </item> <item>
      <title>Het verlaten van de plaats van een verkeersongeval (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/23709/</link>
      <pubDate>2011-05-10T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Deze bijdrage gaat over het verlaten van de plaats van een verkeersongeval, hetgeen strafbaar is gesteld in art. 7 van de Wegenverkeerswet 1994. Op basis van literatuur- en jurisprudentieonderzoek wordt ingegaan op de bestanddelen van dit artikel en daarmee verband houdende thema’s. Het gaat daarbij om de normadressaten, hun bewustheid ten aanzien van het ongeval, de identiteitsvaststelling en zelfmelding van degene die het ongeval heeft veroorzaakt of daarbij is betrokken en het in hulpeloze toestand achterlaten van slachtoffers van een verkeersongeval. In verband met dit laatste wordt betoogd de ‘hulpeloze toestand’ ruim uit te leggen.</description>
    </item> <item>
      <title>De hoger beroepsgronden bij het Hof Leeuwarden, met name die van de officier van justitie (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/21525/</link>
      <pubDate>2010-01-10T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Het recht van hoger beroep in de Wahv is door de wetgever beperkt tot twee gronden. Na invoering van deze gronden is vooral de hoogte van de appelgrens diverse keren onderwerp van uitleg en beoordeling geweest. In een recent arrest van het Hof Leeuwarden is een nieuw aspect in deze uitleg en beoordeling zichtbaar. Het gaat dan om de vraag in hoeverre deze appelgrens geldt voor het door de officier van justitie in te stellen hoger beroep. Voor een beter begrip van de betekenis van de appelgrens in Wahv-zaken wordt eerst ingegaan op de invoering van het recht van hoger beroep in de Wahv. Daarna worden de gronden voor hoger beroep besproken, met name die van de officier van justitie. Daaruit blijkt dat hoger beroep open staat  indien er sprake is van een wettelijke hoger beroepsgronden en ook in het geval van een niet in de Wahv voorziene maar wel door het Hof Leeuwarden aanvaarde hoger beroepsgrond. Daarnaast maakt het Hof Leeuwarden onderscheid tussen de hoger beroepsmogelijkheden van de betrokkene en de officier van justitie. In aanvulling op de wettekst mag volgens het Hof Leeuwarden de officier van justitie ook hoger beroep instellen in gevallen waarin de bij inleidende beschikking opgelegde administratieve sanctie meer dan € 70 bedroeg en er sprake is van een aantal in artikel 9 lid 2 Wahv genoemde beroepsgronden. Dit onderscheid en deze aanvulling spreken allerminst voor zich gezien de duidelijke begrenzing van hoger beroepsgronden door de wetgever.</description>
    </item> <item>
      <title>Compensatie voor bestuurlijke en rechterlijke traagheid in de WAHV (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/21605/</link>
      <pubDate>2010-01-03T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Een te langdurige behandeling naar aanleiding van een opgelegde WAHV-sanctie kan leiden tot overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM. Tot voor kort leidde dit doorgaans tot de vernietiging van de beschikking waarbij de sanctie werd opgelegd. In een recente uitspraak van het Hof Leeuwarden wordt resoluut gebroken met deze benadering. Voor een beter begrip van de betekenis van deze gewijzigde benadering wordt eerst ingegaan op de ‘oude’ benadering. Daarna blijkt dat de nieuwe benadering van het Hof Leeuwarden is ontleend aan een gewijzigd inzicht in het strafrecht als het gaat om de te verlenen compensatie in het geval van overschrijding van de redelijke termijn. Tevens blijkt dat dit gewijzigd inzicht in het strafrecht eveneens ten grondslag ligt aan de wijze van behandeling van overschrijding van de redelijke termijn in punitieve bestuurszaken. Tot slot wordt bezien of de recent ingevoerde Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen betekenis kan hebben voor de beoordeling van overschrijding van de redelijke termijn in de WAHV, waarna de voornaamste bevindingen in de conclusie worden weergegeven.</description>
    </item>
  </channel>
</rss>