<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no" ?>
<rss version="2.0">
  <channel>
    <title>Buys, R.S.</title>
    <link>http://repub.eur.nl/res/aut/3423/</link>
    <description>List of Publications</description>
    <language>en</language>
    <image>
      <url>http://repub.eur.nl/static-eur/img/logo.png</url>
      <title>RePub, Erasmus University Rotterdam</title>
      <link>http://repub.eur.nl</link>
    </image>
    <item>
      <title>De Kunst van het Weldenken: Lekenfilosofie en volkstalig rationalisme in de Nederlanden (1550-1600) (Doctoral Thesis)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/16899/</link>
      <pubDate>2009-10-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Aan de hand van primaire bronnen beschrijft Buys de ontwikkeling van de visie op de rede in de periode tussen 1280 en 1600 en hoe deze traditie een verklaring kan vormen voor de populariteit van het rationalisme in de zeventiende-eeuwse Republiek. 

Gedurende de late middeleeuwen en de vroege moderniteit ondergaat de visie op de rede belangrijke veranderingen. Ziet Jacob van Maerlant (ca. 1230-ca. 1300) de rede nog vooral als instrument om de emoties in het gareel te houden, latere auteurs als Jan van Boendale (1279-ca. 1350) en Dirc Potter (ca. 1370-1428) achten de rede ook een goed middel voor materiële voorspoed en maatschappelijk succes. Nog later, in de zestiende eeuw, ontstaat er zelfs een heus volkstalig rationalisme, waarin de rede, als het ‘voncxken des Godlijcken Lichts’, opgevat wordt als de weg tot ware kennis en morele volmaaktheid. Het idee was hier dat een goed gebruik van je rede leidt tot ware inzichten en vervolgens automatisch tot een juist leven.

Buys beschrijft vervolgens hoe dit volkstalig rationalisme van de zestiende eeuw samenhangt met belangrijke ontwikkelingen in die tijd van opstand en religieuze hervorming. Hij zet het volkstalig rationalisme neer als een dynamisch mengsel van klassieke filosofie, volkstalig humanisme, verlicht christendom, intellectueel spiritualisme en pragmatische volksvroomheid. Dit gedachtengoed is terug te vinden bij toonaangevende schrijvers als Dirck Volckertsz Coornhert, de dichter Hendrik Laurensz Spiegel en de Haarlemse bontwerker en rederijker Louris Jansz.

Hun traktaten, gedichten, prologen en toneelstukken hadden ook in de zeventiende eeuw nog aantoonbaar invloed. Zo heeft het volkstalig rationalisme in de Nederlanden bijgedragen aan een klimaat waarin de rationalistische filosofie van Descartes en Spinoza snel wortel kon schieten.</description>
    </item> <item>
      <title>‘Low’ culture, laymen, and the vernacular traditions in the Low Countries (Miscellaneous)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/9573/</link>
      <pubDate>2007-03-27T00:00:00Z</pubDate>
      <description>In this paper, held at the British Society for the History of Philosophy conference on “Early Modern Philosophy in Britain and the Netherlands 1500 – 1800”, I hope to show that philosophical ideas played an important role in one of the greatest shifts in Western civilization – the downfall of the traditional classes of nobles and clergymen and the rise of ‘layman’ culture during the late Middle Ages and Early Modernity. I will try to do so by considering the nature and function of vernacular philosophy in the Low Countries between 1280 and 1600. It is in this highly urbanized area that some important features of popular culture and modern Western citizenship arise, such as freedom of conscience, toleration, pragmatism, and social mobility. In this process, philosophical texts in the vernacular are not merely a reflection of the common man’s world and life experience. Instead, they are clearly constructed for the moral education of people and the creation of responsible and self-conscious citizens. In the course of this contribution, I will consider the work of Maerlant, Boendale, Potter, the rhetoricians and Coornhert. All those vernacular authors try to 'downsize' philosophy for an unlearned audience, at the same time upgrading and in fact justifying layman culture. In doing so, they contributed to the rise of a new world order, in which commoners could raise their voices more easily and shape their lives more freely.</description>
    </item> <item>
      <title>‘Low’ culture, laymen, and what we can learn from history (Miscellaneous)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/9571/</link>
      <pubDate>2007-02-17T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Headline: Historical evidence shows strong interaction between philosophy during the late Middle Ages and Early Modernity on the one hand and the emancipation of common man and the rise of popular culture in Western Europe on the other.

My aim is to shed light on the interaction between philosophy and culture from a historical point of view. I hope to show that philosophical ideas played an important role in one of the greatest shifts in Western civilization – the downfall of the traditional classes of nobles and clergymen and the rise of ‘layman’ culture during the late Middle Ages and Early Modernity. I will try to do so by considering the nature and function of vernacular philosophy in the Netherlands between 1280 and 1600. It is in this unique and highly urbanized area that some important features of popular culture and modern Western citizenship arise, such as freedom of conscience, toleration, pragmatism, and social mobility. In this process, philosophical texts in the vernacular are not merely a reflection of the common man’s world and life experience. Instead, they are clearly constructed for the moral education of people and the creation of responsible and self-conscious citizens. Moreover, one can trace some important shifts within vernacular texts over time, as vernacular philosophy tended to become more and more pointed toward societal change.

On a more general level, my historical example supports the view that philosophy and culture interact with each other. Insofar as philosophy tries to answer real questions of concrete individuals relating to the world, human existence, and society, it can have a significant influence on cultural development. Our short history of the Low Countries teaches us that philosophy can make a real difference in the lives of common people and can form a dominant factor in popular culture.</description>
    </item> <item>
      <title>Altaar voor een onbekende God: Het megalomane denken van de Rotterdamse nietzscheaan Abraham van Stolk Czn., (1874-1951) (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/7776/</link>
      <pubDate>2005-01-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Het mag als ironie van de geschiedenis gelden dat de man die deze woorden in 1929 met extatische zelfverzekerdheid publiceerde, nu volledig in de vergetelheid is geraakt. Zijn publicaties zijn slechts met moeite te vinden en ook voor het verkrijgen van enig beeld op zijn leven moet men over flink wat wilskracht beschikken. 
Abraham van Stolk Czn. werd geboren in 1874 te Rotterdam en stierf daar ook, bijna tachtig jaar later (1951). Als telg van de bekende Van Stolk-dynastie was hij actief in de meelfabricage; een branche die hij zelfs een innovatie schonk door als eerste de zogenaamde vlakmaalderij via walsen in plaats van via molenstenen te bewerkstelligen. Maar Van Stolks hart lag elders: niet gestoord door een gebrek aan (wetenschappelijke) opleiding verdiepte hij zich in tal van onderwerpen, waarvan wijsbegeerte en (natuur)wetenschap wel de overkoepelende thema’s zijn. Vanuit zijn woonhuis aan de Hoflaan in het statige Rotterdamse Kralingen deed Van Stolk zijn gedachten uitgaan via een aantal boeken, boekjes en pamfletten die tussen 1918 en 1950 het licht zagen.  Publicatie vond steevast plaats onder pseudoniem; zijn geboortestad en een woord uit Nietzsches Also sprach Zarathustra indachtig noemde hij zich ‘Een nar uit de stad van Erasmus’.  Omdat hij tot 1938 meest in het Duits publiceerde (ja, voor sommig werk moet men zich zelfs door kordaat fractuurschrift heenworstelen) voerde hij in die periode meestal de naam ‘Ein Narr aus der Stadt des Erasmus’. De reden voor deze pseudonimiteit is onduidelijk. Gezien de explosiviteit van een aantal van zijn ideeën is het mogelijk dat Van Stolk zo zijn zakelijke belangen probeerde te beschermen. Het Van Stolk-archief (zie noot 2) is eerder van mening dat valse bescheidenheid hem tot de keus inspireerde. Maar er is ook een inhoudelijke reden denkbaar: gezien bovenstaand motto zou Van Stolk zich wèrkelijk genoodzaakt hebben kunnen zien zich te hullen in een Narrenjacke tot op het moment dat de mensheid klaar is voor zijn boodschap.
Met de constatering dat Van Stolk onderhand in de vergetelheid is geraakt is het hoofddoel van dit artikel al gegeven. Het overgrote deel van deze bijdrage zal aan een ontsluiting van zijn werk gewijd worden. Eén van Van Stolks belangrijkste missies was, zoals we zullen zien, het creëren van een coherent fundament voor de wetenschappen. Dit betekent dat Van Stolks denken uitlopers kent naar diverse disciplines. Bij de bespreking van zijn werk zal daarom ingegaan worden op de nieuwe aanzetten die hij geeft voor de kosmologie en de biologie, voor de mens, diens cultuur en geschiedenis en tenslotte voor de inrichting van politiek en maatschappij. Hoewel niet alles van direct filosofisch belang is heb ik ervoor gekozen naar een zo volledig mogelijke bespreking te streven; dit brengt onder andere met zich mee dat vrij diep wordt ingegaan op de meer natuurkundige en biologische kanten van Van Stolks denken.
Voor een karakterisering van Van Stolks ideeën ga ik in hoofdzaak uit van een drietal publicaties. Allereerst het in 1922 verschenen Eine Offenbarung über das Leben. Ten tweede Einführung in das Götterreich der Lust uit 1929. Tenslotte Het Zakboekje voor geleerde mensen, uitgebracht in 1950, een jaar voor zijn dood. Qua inhoud overlappen deze drie geschriften elkaar goeddeels. Toch is er wel een verschil op te merken tussen Het Zakboekje enerzijds en de twee andere werken anderzijds. Hierop zal in een aparte paragraaf worden ingegaan. Het artikel zal eindigen met een korte beschouwing van Van Stolks relevantie voor wetenschappelijk onderzoek.</description>
    </item> <item>
      <title>‘Te doene tghene datmen verstaet’: Lekenwijsheid, stadse Stoa en vrijzinnig christendom tussen Reformatie en Opstand (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/7813/</link>
      <pubDate>2005-01-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>In the early 1560s a sudden explosion of Dutch translations of antique Stoic material occurred as D.V. Coornhert, M.A. Gillis and C. Beresteyn vernacularized Cicero, Seneca, Epictetus and Marcus Aurelius. To be sure, the appearance of Stoic ideas in the vernacular was not an entirely new phenomenon in the Low Countries. From as early as the 13th century elements of Stoic philosophy occur frequently in vernacular tradition (e.g. in Jacob van Maerlant and the 15th-century rhetoricians). Yet the 16th-century translations differ in both their literary qualities and philosophical hinterland. They are professional, ‘literal’ translations meant for a public of highly self-conscious, Dutch-speaking laymen, reflecting deep respect for both Dutch language and the Latin source text.
There is, however, more to say, as there seems to be a connection between the occurrence of these translations and 16th-century spiritualism, a claim that this article aims to justify on the basis of biographical and contextual argument. Each of the translators can be linked to intellectualised forms of spiritualism, such as the Antwerp circle of Hendrick Niclaes’ sect of the Family of Love (Huis der Liefde). Furthermore, the translators’ intellectual background as well as the prologues to their translations reflect a certain spiritualist interest.
Finally, this article traces interesting developments in the interpretation of ‘reason’ in (Middle) Dutch tradition. From the 13th to the 16th century, vernacular authors, editors and translators constantly extended the range of reason. At first merely a means for human self-control, reason was later also deemed fit for ‘fate-control’ (15th century) and was ultimately even prescribed as a means to find God, to obtain the virtuous life and thus to become truly happy (16th century).</description>
    </item> <item>
      <title>Scriptura humana loquitur; Spinoza en het beginsel van de goddelijke accommodatie (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/7775/</link>
      <pubDate>2004-01-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>De verhouding tussen geloof en weten is in het christelijke Westen vaak problematisch geweest. Men zou deze spanning, de pogingen haar te neutraliseren en het uiteindelijke failliet van deze pogingen kunnen zien als een belangrijke rode draad in de intellectuele geschiedenis van dit deel van de wereld.  Welwillende en vrome geleerden werden niet moe de bijbel te verdedigen tegen elke vorm van kennis die haar goddelijke herkomst leek te ontkennen of te problematiseren. Een belangrijk instrument dat is ontwikkeld om het hoofd te kunnen bieden aan de ongerijmdheden in de bijbel, is het beginsel van accommodatie. Kort gezegd gaat dit beginsel ervanuit dat God zich aanpast, accommodeert, aan het beperkte bevattingsvermogen van de mensen tot wie Hij spreekt, bijvoorbeeld via de heilige Schrift. Uit begrip voor de menselijke onwetendheid laat de alwetende God, zogezegd, niet het achterste van zijn tong zien maar hurkt Hij als een genadevolle Vader bij zijn mensenkinderen, de kroon van zijn schepping.
Het belang van dit beginsel van accommodatie voor een goed begrip van de intellectuele geschiedenis van ons werelddeel, waaruit de bijbel als inspiratiebron immers nauwelijks is weg te denken, staat in opvallend contrast met de bescheiden aandacht die het tot nog toe in het academische onderzoek ten deel is gevallen. Dit gebrek aan studie is des te opvallender omdat het accommodatieprincipe geen onbelangrijke rol speelt in de opkomst van de moderne bijbelkritiek in de zeventiende eeuw. Als Spinoza in zijn Tractatus theologico-politicus (TTP) een wetenschappelijke (en dus niet-religieuze) lezing van de Schrift ontwikkelt, grijpt hij met verrassende regelmaat naar de gedachte van de goddelijke aanpassing. Dit roept belangrijke vragen op – zeker omdat sommige van Spinoza’s zo mogelijk nóg ketterse trawanten er evengoed mee schermen.  Is het idee van een zich aanpassende Auteur verworden van vrome strategie tot instrument van het atheïsme? Zoals we zullen zien stoppen de bestaande studies over de goddelijke accommodatie echter juist vóór dit spannende hoofdstuk of geven het wel erg summier aandacht. Dit artikel wil met name een aanzet zijn tot het schrijven van dat ontbrekende hoofdstuk. Het zal dan ook niet verbazen dat Spinoza de centrale plaats inneemt. Zijn Tractatus geldt immers als belangrijk icoon van de moderne bijbelkritiek.  Vandaar dat dit artikel handelt om de vraag welke plaats het idee van de goddelijke accommodatie inneemt in Spinoza’s bijbelkritiek. Bovendien wordt Spinoza’s accommodatiebegrip bezien tegen de achtergrond van de traditie.
Hieronder zal eerst het beginsel van de goddelijke aanpassing ingeleid en gedefiniëerd worden.  Vervolgens wijden wij ons aan Spinoza’s accommodatiedenken; hier kijken we naar de TTP en de rol die de accommodatiegedachte daarin speelt. Als dat is gebeurd, zal Spinoza’s plaats met betrekking tot de traditie worden belicht; Spinoza wordt dan afgezet tegen twee belangrijke ‘accommodatiedenkers’ – twee denkers die bovendien een grote invloed op de zeventiende-eeuwse rationalist hebben gehad: Moses Maimonides en Johannes Calvijn. Afsluitend wordt een poging ondernomen om het accommodatiedenken van de TTP een zinvolle plaats te geven in het licht van Spinoza’s naturalistische metafysica.</description>
    </item>
  </channel>
</rss>