<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no" ?>
<rss version="2.0">
  <channel>
    <title>Thonus, I.P.</title>
    <link>http://repub.eur.nl/res/aut/47325/</link>
    <description>List of Publications</description>
    <language>en</language>
    <image>
      <url>http://repub.eur.nl/static-eur/img/logo.png</url>
      <title>RePub, Erasmus University Rotterdam</title>
      <link>http://repub.eur.nl</link>
    </image>
    <item>
      <title>Onderzoek naar de in-vitro en in-vivo gevoeligheid van Escherichia coli voor ampicilline (Doctoral Thesis)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/31602/</link>
      <pubDate>1981-09-16T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Antibiotica nemen een centrale plaats in bij de bestrijding van bacteriële
infecties. Voor het welslagen van de behandeling dient op de
plaats van de infectie gedurende een zekere tijd een bepaalde spiegel
van een antibioticum aanwezig te zijn. Deze spiegel wordt bepaald door
de in-vivo gevoeligheid van de bacteriestam. In het laboratorium kan
de in-vitro gevoeligheid van een bacteriestam voor een antibioticum op
relatief eenvoudige wijze worden bepaald. Omdat over de relatie tussen
de in-vivo en in-vitro gevoeligheid vrij weinig experimentele gegevens
bekend zijn, werd met de in dit proefschrift beschreven studie onderzocht
of het mogelijk is op rationele gronden een dosering van een antibioticum
aan te geven die kan leiden tot genezing van een infectie met
bekende lokalisatie door een bacterie met bekende in-vitro gevoeligheid.
De in-vivo gevoeligheid werd bestudeerd met behulp van een experimentele
pyelonefritis bij de rat. De infectie werd teweeggebracht met E.coli
en bestreden met een continu infuus van ampicilline. Om dit middel langdurig
continu toe te dienen was het noodzakelijk een nieuwe infuustechniek
te ontwikkelen. Om een vergelijking tussen de in-vitro en in-vivo
gevoeligheid mogelijk te maken was het van groot belang te onderzoeken
welke ampicilline concentraties aanwezig waren in de infectiehaarden van
de cortex van de nier. Voor het vaststellen van deze concentratie werden
een drietal technieken aangewend, namelijk analyse van weefselhomogenaten,
analyse van renale lymfe en autoradiografie</description>
    </item>
  </channel>
</rss>