<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no" ?>
<rss version="2.0">
  <channel>
    <title>Beijerse, J. uit</title>
    <link>http://repub.eur.nl/res/aut/47384/</link>
    <description>List of Publications</description>
    <language>en</language>
    <image>
      <url>http://repub.eur.nl/static-eur/img/logo.png</url>
      <title>RePub, Erasmus University Rotterdam</title>
      <link>http://repub.eur.nl</link>
    </image>
    <item>
      <title>Herstelbemiddeling als alternatief voor voorlopige hechtenis (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/37577/</link>
      <pubDate>2012-01-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>De laatste jaren wordt in het strafrecht steeds vaker gebruik gemaakt van bijzondere
voorwaarden als een contactverbod, een meldplicht, het ondergaan van
ambulante behandeling, in de meeste gevallen gecombineerd met toezicht door de
(jeugd)reclassering. Golden dit soort minder ingrijpende alternatieven voor
detentie in de jaren tachtig en negentig als ‘soft’, in het nieuwe millennium zijn ze
‘ontdekt’ als sancties die effectief zijn en goed passen in de nieuwe persoonsgerichte
aanpak. Ze worden toegepast in alle fasen van het proces, als bijzondere
voorwaarde bij een sepot, bij een schorsing van de voorlopige hechtenis, bij een
voorwaardelijke sanctie en sinds de herinvoering daarvan per 1 juli 2008 ook bij
de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het jeugdstrafrecht, dat vanwege zijn pedagogische
opdracht van oudsher meer persoonsgericht is, vervult hierbij een voortrekkersrol.
Op 1 februari 2008 heeft daar een nieuwe sanctie haar intrede gedaan
die volledig wordt ingevuld met dit soort bijzondere voorwaarden, de gedragsbeïnvloedende
maatregel (GBM). Bij diezelfde wet is tevens het Besluit gedragsbeïnvloeding
jeugdigen ingevoerd, waarin een aantal veelgebruikte bijzondere
voorwaarden zijn geëxpliciteerd en in tijdsduur worden beperkt.
Dit gebeurde enerzijds met het oog op het legaliteitsbeginsel, maar ook om ‘voorzichtige’
rechters te stimuleren om vaker gebruik te maken van bijzondere voorwaarden.
In navolging daarvan worden ook in het volwassenenstrafrecht de
mogelijkheden tot het gebruik van bijzondere voorwaarden steeds verder verruimd.
</description>
    </item> <item>
      <title>Tuigdorpen, straatterroristen en straattuig: mag het wat minder in 2012? (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/37579/</link>
      <pubDate>2012-01-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Als de verkiezing van ‘Van Dale: woord van het jaar’ model staat voor dat wat de
burgers dat jaar heeft beziggehouden, dan kwam de strafrechtspleging in Nederland
in 2011 geen aandacht tekort. In de top 3 stonden twee woorden die met het
oog daarop zijn gecreëerd. Het woord ‘tuigdorp’ werd nummer 1 met maar liefst
43% van de stemmen, gevolgd door het woord ‘caviapolitie’. De gekozen woorden
waren dit keer geen woorden van de straat, maar woorden die zijn ontstaan in de
Tweede Kamer en daar ook werden gebruikt. ‘Tuigdorp’ is een idee van de PVV om
asociale veelplegers op een ommuurde plek buiten de bebouwde kom in containerwoningen
te vestigen; ‘caviapolitie’ is een door de PvdA gebruikt synoniem
voor de dierenpolitie.</description>
    </item> <item>
      <title>De waarde van gesprekken met gedetineerde jongeren (In Book)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/31678/</link>
      <pubDate>2011-01-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Inleiding. In ‘Meningen van gedetineerden. Vijftig jaar later’ beschrijven Moerings, Boone 
en Franken de discussie die in 1959 losbarstte over de waarde van onder-
zoek dat volledig is gebaseerd op de ervaringen van gedetineerden. Enkele 
advocaten-generaal meenden dat dit onderzoek geen waarde had omdat de 
juistheid van de gegevens niet was getoetst. Kempe en Rijksen schreven in 
hun begeleidende brief bij het onderzoek dat de belevingen inderdaad een-
zijdig en subjectief zijn. Toch zouden ze waardevol zijn omdat het voor de 
betrokkenen realiteiten zijn die aan het bereiken van de doelen van de straf-
rechtspleging in de weg staan. In die lijn verdedigde Martin Moerings in 
1977 in zijn proefschrift de stelling dat om de betekenis van de gevangenis-
straf te achterhalen, de subjectieve beleving van (ex-) gedetineerden serieus 
moet worden genomen.</description>
    </item> <item>
      <title>Overdag naar de eigen school en ’s nachts in detentie. Nachtdetentie als recht en niet beperkt tot de voorlopige hechtenis (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/31679/</link>
      <pubDate>2011-01-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Inleiding.
Nachtdetentie is een vorm van detentie waarbij voorlopig gehechte jongeren
alleen ’s avonds, ’s nachts en in het weekend in een justitiële jeugdinrichting verblijven
en overdag hun school, werk, stage of dagbehandeling kunnen blijven
bezoeken. Na een periode van experimenteren in Amsterdam en Rotterdam werd
nachtdetentie in 2003 landelijk ingevoerd. De wettelijke basis daarvoor werd
gevonden in artikel 493 lid 3 Sv, waarin wordt bepaald dat tot het ondergaan van
inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis elke daartoe geschikte plaats kan
worden aangewezen. Bij de invoering benadrukte Minister van Justitie Donner
dat binding met school en met werk het risico van afglijden naar een criminele
carrière vermindert en dat school of werk vaak ontbreken bij jongeren die met
Justitie in aanraking komen. Als een jongere dan wel zo’n vaste dagbesteding
heeft is het des te belangrijker dat ervoor wordt gezorgd dat school en/of werk
gewoon door kunnen gaan. Gezien zijn enthousiasme wekt de titel van zijn lezing
Nachtdetentie, geen recht maar een gunst verbazing, zeker omdat hij voor deze stelling
geen afdoend argument geeft.</description>
    </item> <item>
      <title>De actualiteit van de strafrechtelijke Kinderwet: de toegang van raadslieden en ouders tot (de verhoren van) jeugdige verdachten en de verplichting van ouders om ter terechtzitting te verschijnen (In Book)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/31682/</link>
      <pubDate>2011-01-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Inleiding. In een liber amicorum mag het gezegd worden. Cyrille Fijnaut was voor mij een
leermeester in de ware zin van het woord. Vanaf het eerste moment dat ik hem
ontmoette, bracht hij zijn passie voor het doen van onderzoek over. Toen hij in
1986 hoogleraar werd aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, stond hij te popelen
om Rotterdam te leren kennen. Eén van zijn eerste daden was het verwerven
van een onderzoeksopdracht in het “Samenleving en Criminaliteit”-project in
een winkelstraat in Rotterdam Zuid. Ik werd daarin aangesteld als onderzoekster
en daarbij door hem en Hans Moerland begeleid. Winkeldiefstal leek me als jong
afgestudeerde niet het meest spannende onderwerp om te bestuderen, maar onder
leiding van Cyrille werd het onderzoek een ontdekkingstocht in een stadswijk,
haar winkels, instellingen en bewoners.</description>
    </item> <item>
      <title>Het strafrecht en ruimte voor bezinning (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/31716/</link>
      <pubDate>2011-01-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>‘De bijzondere gemoedsbeweging waarin de moeder verkeert, onder den invloed
van vrees voor de ontdekking van hare bevalling, is de regtskundige grond voor de
ligtere strafbaarheid’, zo lichtte de wetgever de bijzondere strafbepalingen van
artikel 290 (kinderdoodslag) en artikel 291 (kindermoord) van het Wetboek van
Strafrecht (Sr) toe. Er ligt dus een zeker mededogen aan deze bepalingen ten
grondslag, een mededogen met de vrouw die in een dergelijke penibele positie
verkeert. En dat lijkt me terecht. In welke staat van wanhoop moet een vrouw
zich wel niet bevinden als ze haar zwangerschap en alle verschijnselen die daarmee
gepaard gaan verzwijgt, zonder enige hulp van buitenaf een pijnlijke bevalling
doorstaat en dan haar pasgeboren baby doodt? Het moet een regelrechte hel
zijn, waar geen vrouw zich voor haar plezier aan zal onderwerpen. ...</description>
    </item>
  </channel>
</rss>