<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no" ?>
<rss version="2.0">
  <channel>
    <title>Bouma, G.</title>
    <link>http://repub.eur.nl/res/aut/7516/</link>
    <description>List of Publications</description>
    <language>en</language>
    <image>
      <url>http://repub.eur.nl/static-eur/img/logo.png</url>
      <title>RePub, Erasmus University Rotterdam</title>
      <link>http://repub.eur.nl</link>
    </image>
    <item>
      <title>Mycophenolate mofetil for patients with autoimmune hepatitis and overlap syndromes: Authors' reply (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/31057/</link>
      <pubDate>2011-09-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description></description>
    </item> <item>
      <title>The role of mycophenolate mofetil in the management of autoimmune hepatitis and overlap syndromes (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/26624/</link>
      <pubDate>2011-07-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>Background Treatment failure occurs in 20% of autoimmune hepatitis patients on prednisolone and azathioprine (AZA). There is no established second line treatment. Aim To assess the efficacy of mycophenolate mofetil as second line treatment after AZA-intolerance or AZA-nonresponse in autoimmune hepatitis and overlap syndromes. Methods Consecutive patients from the Dutch Autoimmune Hepatitis Group cohort, consisting of 661 patients, with autoimmune hepatitis or overlap syndromes, AZA-intolerance or AZA-nonresponse and past or present use of mycophenolate mofetil were included. Primary endpoint of mycophenolate mofetil treatment was biochemical remission. Secondary endpoints were biochemical response (without remission), treatment failure and prevention of disease progression. Results Forty-five patients treated with mycophenolate mofetil were included. In autoimmune hepatitis remission or response was achieved in 13% and 27% in the AZA-nonresponse group compared to 67% and 0% in the AZA-intolerance group (P = 0.008). In overlap-syndromes remission or response was reached in 57% and 14% in the AZA-nonresponse group and 63% and 25% of the AZA-intolerance group (N.S.); 33% had side effects and 13% discontinued mycophenolate mofetil. Overall 38% had treatment failure; this was 60% in the autoimmune hepatitis AZA-nonresponse group. Decompensated liver cirrhosis, liver transplantations and death were only seen in the autoimmune hepatitis AZA-nonresponse group (P &lt; 0.001). Conclusions Mycophenolate mofetil induced response or remission in a majority of patients with autoimmune hepatitis and azathioprine-intolerance and with overlap syndromes, irrespective of intolerance or nonresponse for azathioprine. In autoimmune hepatitis with azathioprine nonresponse mycophenolate mofetil is less often effective. </description>
    </item> <item>
      <title>A polymorphism in the coding region of Il12b promotes IL-12p70 and IL-23 heterodimer formation (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/25600/</link>
      <pubDate>2011-03-15T00:00:00Z</pubDate>
      <description>IL-12 and IL-23 are heterodimeric cytokines involved in the induction of Th1 and Th17 immune responses. Previous work indicated that a region on chromosome 11 encoding the IL-12p40 subunit regulates strain differences in susceptibility to murine trinitrobenzene sulfonic acid-induced colitis. In addition, this region determines strain differences in LPS-induced IL-12 responses. In this study, we investigated how polymorphisms in the coding region of murine Il12b influence IL-12 and IL-23 heterodimer formation. Transfection studies using constructs containing IL-12p35 linked to IL-12p40 from the colitis-resistant C57BL/6 strain or to the polymorphic p40 variant from the colitis-susceptible SJL/J strain demonstrated that SJL/J-derived p40 constructs synthesized significantly more IL-12p70 than did constructs harboring the C57BL/6-p40 variant. This could not be attributed to differences in synthesis rate or secretion, implicating a greater affinity of SJL/J-derived IL-12p40 for its IL-12p35 subunit. This greater affinity is also associated with increased IL-23 synthesis. In addition, C57BL/6 mice transgenic for the SJL/J 40 variant synthesized significantly more IL-12p70 upon LPS challenge and were more prone to develop colonic inflammation than did C57BL/6 mice transgenic for the C57BL/6-p40 variant. The more efficient binding of the polymorphic Il12b variant to p35 and p19 is most likely due to conformational changes following differential glycosylation as a consequence of the polymorphism. The high synthesis rate of the mature cytokines resulting from this efficient binding can lead to rapid proinflammatory skewing of immune responses and distortion of the homeostatic balance underlying the greater susceptibility for colitis.</description>
    </item> <item>
      <title>Adhesion and Migration of Monocytes and Dendritic Cells in Type 1 Diabetes (Doctoral Thesis)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/6740/</link>
      <pubDate>2005-03-16T00:00:00Z</pubDate>
      <description>SAMENVATTING VOOR NIET-INGEWIJDEN
Type 1 diabetes, vroeger ook wel jeugddiabetes genoemd, wordt gekenmerkt door een afweerreactie gericht tegen de insuline-producerende ß cellen. Bij deze afweerreactie valt het afweersysteem (immuunsysteem) de lichaamseigen ß cellen in de alvleesklier aan en vernietigt deze. Deze afweerreactie waarbij het lichaam zichzelf aanvalt wordt een auto-immuunreactie genoemd. Als gevolg van deze auto-immuunreactie vermindert de productie van insuline, die belangrijk is voor de glucose huishouding binnen het lichaam. Door de verminderde insulineproductie schommelt de hoeveelheid glucose in het bloed, wat leidt tot verminderde functie van de bloedvaten en kans op complicaties. 
In de auto-immuunreactie tegen de ß cellen spelen een aantal type afweercellen een belangrijke rol. In dit onderzoek hebben wij ons met name op de rol van monocyten gericht. Monocyten worden gemaakt in het beenmerg, waarna ze in het bloed terechtkomen. Vanuit het bloed kunnen de monocyten de verschillende organen binnentreden. Zodra de monocyten een orgaan zijn binnengetreden, ontvangen ze allerlei signalen waardoor de monocyten zich verder ontwikkelen tot macrofagen of dendritische cellen. Macrofagen en dendritische cellen zijn gespecialiseerde afweercellen die in het lichaam bacteriën en resten van dode cellen opruimen en zorgen dat er een immuunreactie wordt gestart. Uit onderzoek met proefdieren, maar ook bij de mens, is gebleken dat in een vroege fase van diabetes ontwikkeling een ophoping van macrofagen en dendritische cellen te zien is in de alvleesklier. De ß cellen liggen in een soort eilandjes gegroepeerd, de zgn. eilandjes van Langerhans. Er vindt een ophoping plaats van macrofagen en dendritische cellen rondom deze eilandjes. Pas in een latere fase verschijnen er andere afweercellen bij de eilandjes, die infiltreren vervolgens de eilandjes en uiteindelijk worden dan de ß cellen vernietigd. Tenminste een deel van de macrofagen en dendritische cellen die zich in een vroege fase van diabetes ontwikkeling ophopen rond de eilandjes is afkomstig van monocyten uit het bloed. Men denkt dat de dendritische cellen in de alvleesklier lichaamseigen stoffen opnemen en bij vergissing een immuunreactie tegen het eigen lichaam starten, met als gevolg de vernietiging van de ß cellen. In mijn onderzoek, dat is beschreven in dit proefschrift, heb ik mij gericht op de functie van monocyten. Men denkt dat een verhoogd binnentreden van monocyten uit het bloed de alvleesklier in, de oorzaak is van de ophoping van macrofagen en dendritische cellen, die leidt tot de auto-immuunreactie en uiteindelijk diabetes.
Het binnentreden van monocyten uit het bloed het weefsel in is een complex proces. Allereerst wordt de monocyt in het bloed afgeremd door de interactie van structuren die zich op de bloedvatwand bevinden met structuren op de monocyt. Door deze interactie remt de monocyt af en rolt deze over de wand van het bloedvat. Vervolgens bindt de monocyt met andere structuren aan moleculen op het bloedvat. Deze interacties tussen structuren op het bloedvat en op de monocyten zijn te vergelijken met de werking van klittenband. Deze laatste binding is dusdanig stevig dat de monocyt op de plaats blijft waar hij zit en niet meer meegesleurd kan worden door de bloedstroom. Hierna wringt de monocyt zich tussen de cellen van het bloedvat door, het weefsel in. Chemokinen zijn kleine eiwitten die door het weefsel geproduceerd worden. De monocyten kunnen deze herkennen met hun chemokinereceptoren. Deze herkenning geeft de monocyt een signaal dat die zich in die richting moet bewegen. De monocyt zal dus in de richting van de hoogste concentratie chemokine kruipen. 
In hoofdstuk 2 van dit proefschrift heb ik de hechting en migratie van monocyten van type 1 diabetes patiënten bestudeerd. Hechting is de interactie tussen structuren op de monocyt met structuren op het bloedvat of op het weefsel en speelt een belangrijke rol bij het binnentreden van cellen het weefsel in. Hechting is ook een voorwaarde voor migratie. Migratie moet gezien worden als een dynamisch proces van vasthechten en weer loslaten met als resultaat het voortbewegen in een bepaalde richting, dit is vergelijkbaar met de voortbeweging dmv een rupsband. Monocyten gebruiken de extracellulaire matrix, dat is de matrix die cellen van het weefsel bij elkaar houden en het weefsel vorm geeft, als ondergrond om naar de juiste plek te migreren. Monocyten van type 1 diabetes patiënten bleken beter te kunnen hechten dan monocyten van gezonde vrijwilligers (hoofdstuk 2.1), terwijl de migratie naar bepaalde chemokinen slechter is (hoofdstuk 2.2). Een belangrijke factor bij de hechting van monocyten bleek het eiwit MRP8/14 te zijn. Dit eiwit was verhoogd aanwezig in het bloed van type 1 diabetes patiënten en kon een verhoogde hechtingscapaciteit bij monocyten induceren (hoofdstuk 2.1). Ook bleek hechting van monocyten een verhoogde uitscheiding van MRP8/14 door deze monocyten te veroorzaken bij monocyten van patiënten met type 1 diabetes (hoofdstuk 2.2). Het lijkt erop dat MPR8/14 betrokken is bij een positieve feedback mechanisme om een optimale hechting van monocyten te realiseren.
Omdat het bij patiënten met type 1 diabetes niet mogelijk is de alvleesklier te bestuderen en het ook niet mogelijk is de pre-diabetes fase bij patiënten te onderzoeken, heb ik ook onderzoek gedaan met de non-obese diabetic (NOD) muis. De NOD muis is een veelgebruikt proefdiermodel voor type 1 diabetes omdat de ontwikkeling van diabetes geschiedt op vergelijkbare wijze als bij de mens. In hoofdstuk 3.1 heb ik de verschillende typen monocyten in het bloed bestudeerd. De NOD muis bleek naar verhouding meer rijpe monocyten te hebben dan controle muizen en tevens bleken deze rijpe monocyten een hoge hechtingscapaciteit te hebben, terwijl bij controle muizen de rijpe monocyten de hechtingscapaciteit hadden verloren. De onrijpe monocyten hadden bij zowel de NOD muis als bij controle muizen een hoge hechting. Ook bleek dat zowel de rijpe als onrijpe monocyten van de NOD bij voorkeur uitrijpten tot macrofagen, meer dan tot dendritische cellen.
Zowel bij type 1 diabetes patiënten als bij de NOD muis bleek een hoge hechtingscapaciteit een kenmerk te zijn van de monocyten. Bij de mens vond ik ook een slechte migratie in type 1 diabetes. Toen ik dit bij de NOD muis onderzocht, bleek ook hier de parallel te bestaan. De NOD muis had een slechtere migratie van monocyten dan controle muizen. Dit heb ik onderzocht op 2 verschillende manieren: m.b.v. een steriele ontsteking in de buikholte en m.b.v. de zgn. air pouch (hoofdstuk 3.2). Bij een steriele ontsteking in de buikholte door injectie van de stof thioglycollaat kan men op verschillende tijden de afweercellen die de buikholte binnen zijn gegaan eruit halen en tellen. De NOD muis bleek in vergelijking met controle muizen niet goed in staat grote hoeveelheden monocyten uit het bloed aan te trekken de buikholte in. Bij het air pouch model werd op de rug van de muis op verschillende dagen steriele lucht geïnjecteerd, zodat er onderhuids een huidzak ontstond gevuld met lucht. In deze zak werd een chemokine geïnjecteerd waarna in de tijd het aantal afweercellen dat hierdoor aangetrokken werd, geteld kon worden. Ook in dit model bleek de NOD muis minder goed in staat grote aantallen monocyten te rekruteren. In de NOD muis vond ik dus ook een verminderde migratie van monocyten. Omdat monocyten belangrijke voorlopercellen zijn van dendritische cellen, heb ik ook de hechting en migratie van dendritische cellen in de NOD muis bestudeerd. Dit is beschreven in hoofdstuk 4.1. Ook de dendritische cellen van de NOD muis bleken beter te hechten en slechter te migreren dan dendritische cellen van controle muizen.
Men dacht dat in type 1 diabetes de ophoping van macrofagen en dendritische cellen in de alvleesklier het gevolg was van een verhoogd binnentreden van monocyten uit het bloed. Mijn data wijst hier niet op. Om deze hypothese verder te weerleggen, heb ik ook in de alvleesklier van NOD muizen gekeken naar de hoeveelheid chemokinen tijdens de diabetes ontwikkeling. Hierbij heb ik ontdekt dat de zgn. pro-inflammatoire chemokinen, die heel goed monocyten uit het bloed aantrekken, pas laat tijdens de diabetes ontwikkeling verhoogd aanwezig zijn. De verhoogde aanwezigheid van deze pro-inflammatoire chemokinen viel samen met het binnentreden van andere type afweercellen. Deze cellen verschijnen pas als er al een ophoping van macrofagen en dendritische cellen in de alvleesklier is. Het is daarom niet waarschijnlijk dat dergelijke pro-inflammatoire chemokinen verantwoordelijk zijn voor een verhoogd binnentreden van monocyten als oorzaak van de ophoping van macrofagen en dendritische cellen. Veel eerder denk ik dat de verhoogde aanwezigheid van deze pro-inflammatoire chemokinen het gevolg is van de ophoping van macrofagen en dendritische celle</description>
    </item> <item>
      <title>Increased serum levels of MRP-8/14 in type 1 diabetes induce an increased expression of CD11b and an enhanced adhesion of circulating monocytes to fibronectin (Article)</title>
      <link>http://repub.eur.nl/res/pub/10354/</link>
      <pubDate>2004-01-01T00:00:00Z</pubDate>
      <description>The recruitment of monocytes from the bloodstream is crucial in the
      accumulation of macrophages and dendritic cells in type 1 diabetic
      pancreases. Adhesion via integrins to endothelium and extracellular matrix
      proteins, such as fibronectin (FN), and the production of myeloid-related
      protein (MRP)-8, -14, and -8/14 by recently transmigrated monocytes are
      thought to be instrumental in such recruitment. We determined the
      FN-adhesive capacity and integrin expression of monocytes of type 1 and
      type 2 diabetic patients and related them to the subjects' serum levels of
      MRP-8, -14 and -8/14. Monocytes of type 1 diabetic patients displayed an
      increased adhesion to fibronectin in comparison with type 2 patients and
      healthy control subjects but had a normal expression of the FN binding
      integrins CD29, CD49a, CD49d, and CD49e (although CD11b and CD18
      expression was increased). MRP-8/14, which was increased in the sera of
      type 1 diabetic patients, induced healthy donor monocytes to adhere to FN
      and upregulate CD11b expression in a dosage-dependent manner. The observed
      MRP-induced increased adhesion of monocytes to FN and upregulation of
      CD11b most likely contributed to a facilitated accumulation of monocytes
      and monocyte-derived cells at the site of inflammation, in this case the
      pancreatic islets.</description>
    </item>
  </channel>
</rss>