Onlangs heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over de legestarieven van de gemeente Rotterdam voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning. De gemeente Rotterdam had als heffingsmaatstaf de bouwsom van het bouwwerk gekozen, waarbij voor het tarief een indeling in tariefklassen was ingesteld. Door de verschillende lengten van de tariefklassen en de gekozen tarieven per klasse ontstonden er, vooral op de grenzen tussen de verschillende klassen, grote verschillen in de te betalen bedragen en – omgerekend – in de percentages van de bouwsom die verschuldigd waren. Waar rechtbank, hof en advocaat-generaal dat tariefsysteem nog onverbindend achtten, oordeelde de Hoge Raad dat de keuze voor dit systeem binnen de gemeentelijke vrijheid valt en dat in dit geval ook geen sprake is van verboden inbreuk op het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. In deze beschouwing ga ik in op de inbedding van de gemeentelijke vrijheid in het juridische systeem en op de uitleg die in de loop van de jaren eraan is gegeven door de Hoge Raad. Geconcludeerd wordt, dat de Hoge Raad met dit arrest de lijn van terughoudende toetsing van gemeentelijke belastingverordeningen aan de algemene beginselen in eerdere jurisprudentie bevestigt en dat de vrijheid van gemeenten om tarieven vast te stellen groot is.

Additional Metadata
Persistent URL hdl.handle.net/1765/106698
Journal Belastingblad. Tijdschrift voor Provinciale, Gemeentelijke en Waterschapsbelastingen
Citation
Monsma, A.P. (2017). Zaagtandarrest: gemeentelijke vrijheid in tarieven. Belastingblad. Tijdschrift voor Provinciale, Gemeentelijke en Waterschapsbelastingen, 2017(19), 356–378. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/106698