Samenvatting Inleiding: Tot 2005 kon men uitsluitend gedurende de dag een beroep doen op professionele aanvullende prehospitale hulpverlening. In 2005 ontstond een voor Nederland unieke situatie waarbij het Mobiel Medisch Team (MMT) ook ’s nacht paraat inzetbaar was. Het doel van deze studie was inzicht te krijgen in de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van grondgebonden MMT inzetten in de nacht, tussen 19.00 en 7.00 uur. Methode: In een beschrijvend cohortonderzoek werden alle patiënten waarvoor in 2005 tussen 19.00 en 7.00 uur MMT-assistentie werd gevraagd in de regio Zuid West Nederland geïncludeerd. Van de geïncludeerde patiënten werden prospectief (pre)hospitale data gedocumenteerd, en na 1 jaar geanalyseerd. Resultaten: Gedurende de studieperiode werd in de avond en nacht 235 keer om assistentie gevraagd, waarvan 69 aanvragen werden geannuleerd. Zevenenzestig procent van deze nachtelijke inzetten vond plaats op basis van de inzetcriteria die gebaseerd zijn op de aard van het ongeval, en 33% op basis van de toestand van de patiënt. Drieënzestig procent van de inzetten vond plaats tussen 19.00 uur en middernacht. De mediane Injury Severity Score was 10 (4-25) met een mortaliteit van 16 %. Drieëntwintig procent van de patiënten werd geïntubeerd. Conclusie: Deze studie laat zien dat er ook gedurende de avond en nacht aanzienlijke behoefte is aan gespecialiseerde medische hulp ter aanvulling op de ambulancezorg. De kwalitatieve behoefte aan zorg is vergelijkbaar met de zorgvraag overdag. Het handelen van het nachtelijk grondgebonden MMT was potentieel levensreddend. Extrapolatie van deze regionale resultaten levert een behoefteraming op van jaarlijks 505 daadwerkelijke MMT assistenties in heel Nederland tussen 19.00 uur en 7.00 uur.

Additional Metadata
Persistent URL hdl.handle.net/1765/25821
Citation
Ringburg, A.N., van Ierland, M.C.P., Froklage, R., Patka, P., & Schipper, I.B.. (2008). Inventarisatiestudie naar de behoefte aan assistentie door het Mobiel Medisch Team in de avond en nacht. Nederlands Tijdschrift voor Traumatologie, 2008(2), 33–39. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/25821