http://hdl.handle.net/1765/347
isbn: 978-905892-039-3
series: EPS-2003-021-STR

Organizing Knowledge in Internal Networks; A Multilevel Study

(Het organiseren van kennis in interne netwerken; een multi-level studie)


Doctoral Thesis
This publication is part of collection
Related Files
asset icon
(EPS2003021STR_9058920399_WIJK.pdf, 2.8MB)

Organizing knowledge is fundamental to the competitive success of firms. Recent research shows that many firms experience difficulty in transferring and integrating knowledge across their organizational units, and that its remedy requires that firms change their organization forms. This PhD study seeks to examine how internal network forms of organizing influence the organization and integration of knowledge. Employing a longitudinal case study method and two questionnaires, four studies are conducted in which the effect and performance implications of both corporate-level and business-level elements shaping knowledge integration in internal networks are examined. The results demonstrate that firms improve the integration and organization of knowledge by adopting sets of complementary elements characteristic of internal networks at the corporate level, as well as through the contribution of internal networks in developing the capacity to absorb knowledge at the business level.

Onderzoek in strategie richt zich met name op hoe ondernemingen concurrentievoordelen kunnen behalen en behouden. Recent onderzoek heeft zich hiertoe vooral gericht op kennis en netwerken. Veranderingen en nieuwe mogelijkheden in de omgeving nopen ondernemingen tot innoveren. Aangezien kennis van groot belang voor innovatie is, heeft de veranderende omgeving kennis tot een van de strategisch meest belangrijke middelen van een onderneming gemaakt. Innovatie komt in belangrijke mate tot stand door de combinatie van bestaande kennis met nieuwe kennis, alsmede de combinatie van bestaande kennis op nieuwe wijzen. Omdat kennis van nature naar plaats en tijd verspreid is over verschillende actoren en daarmee gedifferentieerd is naar context, heeft het bezitten van waardevolle kennis ook consequenties voor de organisatie ervan. Niet alleen de kennisvoorraden zijn van groot belang. maar ook de kennisstromen in en tussen ondernemingen die ervoor zorgen dat de juiste kennis op juiste plek beschikbaar is. De transfer van kennis brengt met zich mee dat de ontvangende partij de kennis integreert in diens bestaande kennisvoorraad. Derhalve ligt aan de basis van de organisatie van kennis de noodzaak tot kennisintegratie. De grote varieteit aan contexten waarin bestaand onderzoek naar de integratie en organisatie van kennis heeft plaatsgevonden zijn te reduceren tot interorganisationele en intraorganisationele contexten. Netwerk vormen van organiseren worden door ondernemingen in belangrijke mate geimplementeerd om de organisatie en integratie van kennis in deze contexten te beinvloeden. Zo zijn in de afgelopen decennia veel organisaties toegetreden tot externe netwerken met andere organisaties om door middel van allianties en joint ventures kennis van hun partners te verkrijgen. Het uitgangspunt dat elke organisatie gekenmerkt wordt door sociale relaties heeft in de wetenschap eveneens geleid tot hernieuwde interesse in het functioneren van sociale netwerken in en tussen organisaties. Sociale netwerken bevorderen niet alleen in het aangaan van nieuwe allianties en andere externe samenwerkingsverbanden, maar vertegenwoordigen eveneens een mechanisme om kennis te integreren in een organisatie. Alhoewel externe en social netwerken sterk bijdragen aan het vermogen van een onderneming kennis te integreren, veranderen zij niets aan de formele interne organisatie van een onderneming. Hierarchische besluitvormingsstructuren en routines, die bijvoorbeeld functionele en multidivisionele organisatievormen karakteriseren, blijven veelal bestaan en verhinderen dat ondernemingen kennis net zo ambitieus intern als extern kunnen organiseren. Dit heeft ertoe geleid dat ondernemingen met andere vormen van organiseren zijn gaan experimenteren. Ondanks de diverse labels kunnen vele van deze organisatievormen gekenmerkt worden als interne netwerken. In de literatuur wordt gesuggereerd dat interne netwerkvormen ondernemingen de mogelijkheid geven kennis en vaardigheden tussen gedifferentieerde eenheden van een organisatie over te brengen en te integreren. Hiertoe worden zij gekenmerkt door organisatie-elementen die niet of beperkt in meer traditionele organisatievormen te vinden zijn. Ondanks het feit dat onderzoek naar de integratie en organisatie van kennis in externe en sociale netwerken nog sterk in ontwikkeling is, ligt de focus van het proefschrift om drie redenen op interne netwerken. Allereerst staan theorieen over deze vorm van organiseren nog in de kinderschoenen en zijn er pleidooien voor het ontwikkelen van adequate theorieen. Ten tweede lijkt het aantal ondernemingen dat met interne netwerkvormen experimenteert het laatste decennium sterk te zijn toegenomen. Tenslotte blijkt uit recent onderzoek dat organisaties ten opzichte van het zelf creeren van kennis en het extern vergaren van kennis vooral problemen ondervinden met het intern verplaatsen en overbrengen van kennis. De onderzoeksvraag die in dit proefschrift aan de orde wordt gesteld betreft dan ook hoe interne netwerken de integratie en organisatie van kennis beinvloeden. Om deze vraag te beantwoorden wordt in het bijzonder aandacht geschonken aan twee aspecten. Ten eerste wordt onderzocht hoe organisatie-elementen die interne netwerken onderscheiden van andere organisatievormen de integratie en organisatie van kennis beinvloeden. De implementatie van een organisatievorm berust gewoonlijk op een beslissing van het top management en heeft gevolgen voor het functioneren van een gehele onderneming. Daarom wordt in het onderzoek de nadruk gelegd op het analyseniveau van de onderneming. Daar verschillende eenheden binnen een onderneming zichzelf ook aanpassen wordt daarnaast aandacht besteed aan determinanten van kennisintegratie op een business niveau van analyse. Ten tweede wordt onderzocht hoe kennisintegratie en de determinanten daarvoor in interne netwerken op beide analyseniveaus bijdragen aan de financiele en innovatieve prestatie van een onderneming. Gebruikmakend van theorieen over kennisintegratie, netwerken en ondernemingsstrategie is eerst een literatuuronderzoek verricht. Dit literatuuroverzicht diende vervolgens als achtergrond om hypothesen te ontwikkelen die aan de hand van een viertal complementaire studies getest zijn. Onderzoek naar hoe interne netwerken de integratie en organisatie van kennis beinvloeden is met name beperkt gebleven tot crosssectionele case studies. Derhalve betrof de onderzoeksaanpak een multi-level, multimethode studie. Allereerst is een longitudinaal case studie onderzoek bij Rabobank Groep verricht waarin op beide niveau's van analyse is onderzocht hoe een transitieproces naar een interne netwerkvorm kennisintegratie beinvloedt. Ten tweede zijn een tweetal enquetes uitgevoerd. De eerste enquete is uitgevoerd in het van het INNFORM onderzoeksprogramma. Deze enquete is verstuurd naar het top management van 4500 ondernemingen. Van deze enquete is gebruik gemaakt om de hypothesen aangaande de determinanten van kennisintegratie op ondernemingsniveau te testen. De tweede enquete is verzonden naar de werknemers van Spectrum, een business unit van Rabobank Groep. Deze enquete is gebruikt om de hypothesen betreffende determinanten op business niveau te testen. Door deze combinatie van longitudinaal kwalitatief en breder kwantitatief onderzoek is getracht verder aan het beperkte bestaande onderzoek over kennisintegratie in interne netwerken bij te dragen. THEORIE De analyse van bestaand onderzoek over netwerken en kennis in hoofdstuk 2 leert dat de drie typen van netwerkenc (sociaal, extern en intern) allen een unieke bijdrage leveren aan het inzicht hoe kennis zich manifesteert in netwerken. Zo worden in onderzoek naar sociale netwerken de inbedding van actoren in het netwerk, de sterkte van de verbanden tussen deze actoren en de aanwezigheid van vertrouwen als belangrijkste parameters bekeken. In studies naar externe netwerken wordt daarentegen met name onderzocht hoe een onderneming sneller leert dan de partner-onderneming, wat het effect van concurrentie tussen de samenwerkende ondernemingen is, alsmede hoe governance structuren bijdragen aan het functioneren van externe netwerken. In onderzoek naar interne netwerken worden vooral de organisatiestructuur en organisatieprocessen die deze vorm van organiseren kenmerken als belangrijkste parameters bekeken. De analyse zet echter ook uiteen dat de drie typen van netwerken niet wederzijds uitsluitende typen zijn. Aspecten die van belang zijn voor het functioneren van het ene type netwerk kunnen eveneens van belang zijn voor een ander type netwerk. Dit wordt onderstreept door het feit dat blijkt dat elk type netwerk met name bijdraagt aan het innovatief vermogen van een onderneming, en dat netwerken zelf eveneens een vorm van kennis zijn. Kennis over hoe een onderneming opereert in externe netwerken kan eveneens van toepassing zijn op interne netwerken. Het literatuur overzicht wordt vervolgens in hoofdstuk 3 gebruikt voor de ontwikkeling van hypothesen die in het empirische onderzoek getest zullen worden. De hypothesen zijn opgedeeld naar hypothesen die betrekking hebben op determinanten die interne netwerken karakteriseren op ondernemingsniveau en op business niveau. Op ondernemingsniveau wordt gehypothetiseerd dat kennis integratie afneemt door een toenemend aantal organisatielagen, toenemend gebruik van op product gebaseerde organisatiestructuren, en een groter hoofdkantoor. Aan de andere kant wordt beargumenteerd dat toenemende decentralisatie en gerelateerdheid van divisies, alsmede een toenemend gebruik van op project gebaseerde organisatiestructuren, van informatie technologie en van human resource middelen kennisintegratie positief beinvloeden. Elementen van een organisatievorm hangen onderling echter samen. Het effect van deze samenhang is in het algemeen groter dan de individuele effecten van elementen samen. Derhalve wordt eveneens op het effect van deze zogenaamde complementariteiten tussen de in beschouwing genomen organisatie-elementen ingegaan. Hiertoe wordt onderscheid gemaakt tussen complementariteiten tussen elementen die individueel kennisintegratie positief beinvloeden, en complementariteiten tussen enerzijds elementen die kennisintegratie positief beinvloeden en anderzijds elementen die kennisintegratie negatief beinvloeden, maar waarvan het effect door de samenhang met andere elementen juist positief uitpakt. Tevens wordt gepostuleerd dat deze complementariteiten beter tot hun recht komen in goed presterende ondernemingen dan in minder presterende ondernemingen. Op het business niveau van analyse wordt het vermogen van ondernemingen en haar eenheden om kennis te kunnen absorberen centraal gesteld, het zogenaamde kennisabsorptievermogen. Uit eerder onderzoek is gebleken dat dit vermogen een van de meest cruciale determinanten van kennisintegratie op business niveau is. Het kennisabsorptievermogen van een onderneming of eenheid is in belangrijke mate een functie van de reeds aanwezige kennis. Daarmee is kennisintegratie door een eenheid niet alleen afhankelijk van het absorptievermogen van die eenheid, maar draagt ook bij aan het absorptievermogen voor een later stadium. Hiertoe wordt een onderscheid gemaakt in de breedte en diepte van kennisabsorptievermogen. Deze zijn respectievelijk aan te duiden als het vermogen om brede, nieuwe kennis en diepe, complexe kennis te kunnen absorberen. Het absorptievermogen is naast reeds aanwezige kennis tevens afhankelijk van typisch organisationele aspecten. Een van de karakteristieke kenmerken van interne netwerken is dat verticale kennisstromen tussen hoofdkantoor en eenheden worden vervangen of aangevuld met horizontale kennisstromen tussen organisatie-eenheden onderling. Er wordt vervolgens gehypothetiseerd hoe verticale en horizontale kennisstromen bijdragen aan de breedte en diepte van het kennisabsorptievermogen. Tenslotte wordt beargumenteerd hoe de diepte en breedte van het kennisabsorptievermogen bijdraagt aan het vermogen van eenheden om te exploreren en te exploiteren. METHODE Zoals eerder aangegeven zijn voor het empirisch inzicht in de wijze waarop interne netwerken de integratie en organisatie van kennis beinvloeden een viertal studies verricht, zoals omschreven in hoofdstuk 4. Voor elk van de twee niveaus van analyse, waren de onderliggende methoden tweeledig. De dynamiek van interne netwerken en veranderprocessen in ogenschouw nemend, is allereerst een kwalitatieve case studie uitgevoerd waarin het transitieproces van Rabobank Groep naar een interne netwerkorganisatie over de periode 1988-1998 is geanalyseerd. Hierbij is met name gekeken hoe dit transitieproces heeft bijgedragen aan kennisintegratie in Rabobank Groep. Het onderscheid tussen het ondernemings- en business niveau van analyse heeft plaatsgevonden door naar Rabobank op groepsniveau en naar twee eenheden op business niveau te kijken. Deze twee eenheden betreffen het netwerk van lokale banken en de business unit Spectrum. De nodige informatie is vergaard door 40 managers te interviewen op alle niveaus van analyse. Ten tweede is gebruik gemaakt van een tweetal kwantitatieve enquetes. Om determinanten van kennisintegratie op ondernemingsniveau te analyseren, betrof de eerste enquete een vragenlijst die is uitgevoerd onder 4500 ondernemingen in Europa, Japan en de Verenigde Staten in het kader van het INNFORM onderzoeksprogramma. Aan de hand van deze enquete zijn veranderingspatronen in kennisintegratie en diens determinanten geanalyseerd in een bredere populatie van ondernemingen. Hiertoe is onder andere een onderscheid gemaakt tussen ondernemingen die veel kennis integreerden en die weinig kennis integreerden in 1992 en 1996. Vervolgens is de subpopulatie van Continentaal- Europese ondernemingen die deze enquete hebben ingevuld gebruikt om de hypothesen betreffende de determinanten van kennisintegratie te testen. Tenslotte is een enquete verspreid over de werknemers van Spectrum, een als intern netwerk gecreeerde business unit van Rabobank. Middels deze enquete is onderzocht hoe interne netwerken het kennisabsorptievermogen beinvloeden, en hoe dit vermogen het innovatief vermogen beinvloedt. Door triangulatie van de technieken en methoden zijn de conclusies die getrokken worden uit de vier studies worden gevalideerd. EMPIRISCHE RESULTATEN Uit de case study in hoofdstuk 5 kwam naar voren dat Rabobank Groep door middel van haar transitieproces naar een interne netwerkvorm van organiseren haar vaardigheid in het integreren van kennis heeft vergroot. De case studie toonde echter ook aan dat verschillende eenheden van Rabobank Groep elk hun eigen transitieproces naar een intern netwerk bewerkstelligd hebben. Daarnaast bleek dat niet voor elke eenheid een intern netwerk de meest effectieve en efficiente vorm van organiseren was. Zo levert Rabobank bijvoorbeeld standaardproducten en maatwerk. Voor het maatwerk, waar verschillende soorten kennis bijeengebracht moet worden, bleek een intern netwerk een adequate oplossing. Voor het standaardwerk daarentegen werd een traditionele hierarchie als de beste vorm van organiseren beschouwd. In lijn met de hypothese dat complementariteiten tussen organisatorische elementen belangrijk zijn om kennisintegratie en -organisatie te beinvloeden, bleek dat Rabobank en haar verschillende eenheden door organisatorische elementen in samenspel te brengen de integratie van kennis van verschillende eenheden heeft verbeterd. Consistent met de literatuur en de resultaten van de hieraan voorafgaande case studie, toonde het descriptieve onderzoek in hoofdstuk 6 aan dat kennisintegratie in het laatste decennium sterk is toegenomen in Europa, Japan en de Verenigde Staten. Eveneens bleek dat ondernemingen die hun kennisintegratie hebben verbeterd veelal ook de mate van decentralisatie, het gebruik van op projecten gebaseerde structuren en het gebruik van informatie technologie vergroot hebben. In mindere mate gold dit tevens voor reducties in het aantal organisatielagen. Naast het individuele effect van organisatie-elementen, gaven de resultaten ook aan dat met name ondernemingen die werden gekenmerkt door een hoge mate van kennisintegratie elementen in samenspel met elkaar hebben veranderd. Tenslotte bleek uit het onderscheid tussen Europese, Japanse en Amerikaanse ondernemingen organisatie-elementen weliswaar op gelijkwaardige wijze hebben veranderd, maar dat Japanse ondernemingen wel een meer incrementeel veranderingspatroon gevolgd hebben, daar waar Europese en Amerikaanse ondernemingen radicaler zijn veranderd. Uit de resultaten van het onderzoek in hoofdstuk 7 bleek dat verschillende hypothesen op ondernemingsniveau van analyse bevestigd konden worden. Zo bleek dat een toenemend gebruik van op project gebaseerde structuren, een toenemend gebruik van informatie technologie en een toenemend gebruik van human resource technieken positief bijdragen aan kennisintegratie. In tegenstelling tot wat gehypothetiseerd was, bleek een groter hoofdkantoor juist bij te dragen aan kennisintegratie, wat toegeschreven kan worden aan de facilitaire rol die zij speelt. Aangezien er geen verbanden werden gevonden, moesten in het onderzoek onder de 2000 ondernemingen in Continentaal Europa de hypothesen aangaande de hoeveelheid organisatielagen, decentralisatie, het gebruik van op product gebaseerde structuren, en de samenhang tussen divisies verworpen worden. Een van de belangrijkste bevindingen van dit onderzoek betrof de rol van complementariteiten tussen verschillende elementen. Uit de resultaten bleek dat het samenspel van die elementen die individueel kennisintegratie positief beinvloeden geen extra bijdrage levert aan kennisintegratie. Het samenspel van die elementen die enerzijds kennisintegratie negatief beinvloeden en anderzijds kennisintegratie positief beinvloeden bleek wel van groot belang. Ondernemingen met een op producten gebaseerde organisatiestructuur en die tegelijkertijd gebruik maakten van een op projecten gebaseerde organisatiestructuur, van een hoge mate van decentralisatie, van informatie technologie, en van human resource technieken bleken kennisintegratie meer te beinvloeden dan ondernemingen die de individuele elementen afzonderlijk gebruikten. Tevens bleek dat juist de goed presterende ondernemingen deze samenhang tussen elementen weten te bewerkstelligen. Het onderzoek in hoofdstuk 8 naar de rol van het kennisabsorptievermogen in kennisintegratie toonde aan dat, op een hypothese na, alle hypothesen bevestigd konden worden. Zoals gepostuleerd bleek dat verticale kennisstromen bijdroegen aan de diepte van het kennisabsorptievermogen en dat horizontale kennisstromen juist bijdroegen aan de breedte van het kennisabsorptievermogen van een eenheid. Horizontale kennisstromen bleken vervolgens bij te dragen aan de vaardigheid van eenheden om nieuwe mogelijkheden en kansen te exploreren. In tegenstelling tot wat gepostuleerd was, bleken verticale kennisstromen niet alleen bij te dragen aan de exploitatie van bestaande producten en processen, maar eveneens aan exploratie. Deze resultaten gaven aan dat kennisabsorptievermogen een multidimensionaal construct is. Vertalend naar de context van interne netwerken valt uit deze resultaten te concluderen dat interne netwerken door hun configuratie van kennisstromen waarin en verticale en horizontale kennisstromen zijn vertegenwoordigd, een hoger absorptievermogen in diepte en breedte hebben en zodoende de noodzakelijke balans tussen exploitatie en exploratie weten te bewerkstelligen. CONCLUSIE Uit de vier onderzoeken valt te concluderen dat interne netwerken op verschillende niveaus van analyse bijdragen aan de integratie en organisatie van kennis in een onderneming. Op ondernemingsniveau van analyse blijken met name op projecten gebaseerde structuren, een centraal en groot hoofdkantoor, informatie technologie, en human resource technieken een belangrijke bijdrage te leveren aan de integratie van kennis. Een van de belangrijkste bevindingen van het onderzoek was dat de samenhang in organisatie-elementen de integratie en organisatie van kennis positief beinvloedt. Ondernemingen die elementen individueel aanpassen weten kennisintegratie niet zo sterk te beinvloeden als ondernemingen die een scala van elementen karakteristiek voor een interne netwerkvorm tegelijkertijd aanpast. In het bijzonder bleek dat de combinatie van meer traditionele elementen met innovatievere elementen bijdraagt aan kennisintegratie. Op business niveau viel te concluderen dat het kennisabsorptievermogen een belangrijke determinant van kennisintegratie is. Tevens bleek dat interne netwerkvormen dit absorptievermogen kunnen beinvloeden door hun configuratie van kennisstromen waarin horizontale de verticale kennisstromen vervangen of aanvullen. Op beide niveaus van analyse viel eveneens te concluderen dat interne netwerken middels kennisintegratie ook de financiele en innovatieve prestaties van ondernemingen verbeteren. Op deze wijze lijken interne netwerkvormen sterk bij te dragen aan het creeren en behouden van concurrentievoordelen.


Supervisor (promotor):

Bosch, F.A.J. van den

The author wishes to thank:

Erasmus University Rotterdam
Promotor: Prof.dr.ing. F.A.J. van den Bosch,
Other Members: Prof.dr. A.M. Pettigrew, Prof.dr. H.G. van Dissel, Prof.dr. H.W. Volberda, Prof.dr. M.A. Lyles


Keywords


Automatically Extracted Terms
  • knowledge
  • network
  • knowledge integration
  • integration
  • organization
  • study
  • structure
  • capacity
  • level
  • management
  • business
  • change
  • company
  • rabobank
  • research
  • information
  • process
  • knowledge flows
  • management journal
  • element