Een beursvennootschap kan door middel van haar berichtgeving een misleidend positieve voorstelling van zaken geven.
In dat geval kan men onderscheiden tussen
(i) degenen die na de misleidend positieve berichtgeving aandeelhouder zijn geworden in de vennootschap, en
(ii) degenen die ten tijde van de misleidend positieve berichtgeving reeds aandeelhouder waren in de vennootschap.
In dit artikel gaan wij in op de vraag of laatstgenoemden (‘zittende aandeelhouders’) succesvol schadevergoeding kunnen vorderen van de vennootschap. Hierbij gaat het ons in het bijzonder om het geval dat zij (stellen dat zij) door de misleidend optimistische berichtgeving hun aandelen te laat hebben verkocht, en hierdoor schade hebben geleden.
Onze conclusie is dat de proceskansen van de zittende aandeelhouders er niet rooskleurig uitzien. Dit heeft twee redenen. In de eerste plaats is het bewijs van causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing problematisch. In de tweede plaats zal een redelijke toerekening van schade in de zin van art. 6:98 BW tot gevolg hebben dat slechts in bepaalde gevallen schadevergoeding kan worden toegekend.

Additional Metadata
Persistent URL hdl.handle.net/1765/101484
Journal Ondernemingsrecht
Citation
de Jong, B.J, & Pijls, A.C.W. (2013). Schadevergoeding voor zittende aandeelhouders bij misleidende berichtgeving?. Ondernemingsrecht, 2013(1), 5–12. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/101484