In december 1924 spraken de grootste producenten van gloeilampen in de wereld af om de levensduur van gloeilampen te beperken. De marktstandaard van 2.500 branduren uit 1924 was tegen 1940 naar 1.000 verlaagd, ver onder de beoogde decennialang brandende gloeilampen van uitvinders Thomas Edison en Adolphe Chaillet. Dit voorbeeld markeert het ontstaan van planned obsolescense en is beter bekend als de Lightbulb conspiracy of het Phoebus kartel.
Ook andere producenten van consumentengoederen zagen planned obsolescence als interessante bedrijfsstrategie. Ze beseften dat de continue verbetering van de kwaliteit en de verhoging van de levensduur van producten een bedreiging vormden voor hun verdienmodel dat gebaseerd was op het aantal verkochte producten.

In deze bijdrage maken we planned obsolescence het onderwerp van een criminologische analyse. Daarbij stellen we de vraag of het als een vorm van organisatiecriminaliteit kan worden beschouwd, in het licht van het werk van Van de Bunt (1992; Van de Bunt & Huisman, 2004). Om deze vraag te beantwoorden, lichten we eerst kort het concept organisatiecriminaliteit toe, wat onze diverse criteria aanreikt voor de analyse verderop in het artikel.

Additional Metadata
Persistent URL hdl.handle.net/1765/102571
Citation
Jaspers, J.D, & Bisschop, L.C.J. (2017). Planned obsolescence als organisatiecriminaliteit. In Over de muren van stilzwijgen: Liber amicorum Henk van de Bunt (pp. 561–574). Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/102571