Op vrijdag 16 december 2016 boog de Hoge Raad zich voor de tweede keer sinds de inwerkingtreding op 1 juni 1996 over de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz). De eerste keer was op 6 april 2001 in de zaak De Drie Vennen (ECLI:NL:HR:2001:AB0903). De Hoge Raad boog zich toen over de vraag of een zorgaanbieder een cliëntenraad terzijde mag stellen die hij niet langer representatief acht voor zijn cliënten en in de plaats daarvan een nieuwe cliëntenraad mag instellen. In deze nieuwe zaak moest de Hoge Raad zich een oordeel vormen over een andere fundamentele kwestie, te weten op welk niveau de cliëntenra(a)d(en) binnen de zorgorganisatie dient(/dienen) te worden ingesteld. Daarnaast kwam ook nog het – overigens niet onbelangrijke – onderwerp van de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand aan de orde, maar dat aspect zal in het kader van het korte bestek van deze annotatie verder buiten beschouwing blijven.

hdl.handle.net/1765/107974
AR Updates
Labour Law

van der Voet, G.W. (2016). 2017, , De definitie van het begrip ‘instelling’ in de zin van de Wmcz: grammaticaal, wetshistorisch of teleologisch uitleggen?. De definitie van het begrip ‘instelling’ in de zin van de Wmcz: grammaticaal, wetshistorisch of teleologisch uitleggen?, 1445. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/107974