Met de op 1 oktober 2012 in werking getreden Wet hervorming herziening ten voordele, werd de regeling van herziening in strafzaken ten voordele van de gewezen verdachte ten dele opnieuw vormgegeven en van enkele uitbreidingen en aanpassingen voorzien. De wet bevatte de bepaling dat zij vijf jaar na de inwerkingtreding zou worden geëvalueerd op haar doeltreffendheid en op de effecten van de wet in de praktijk. De onderhavige uitgave bevat het verslag van dit evaluatieonderzoek. In het algemeen was het doel van de wet om de mogelijkheden voor herziening te verruimen, zonder afbreuk te doen aan het uitzonderlijke karakter van dit buitengewone rechtsmiddel. In het evaluatieonderzoek zijn daarbij in het bijzonder de twee belangrijkste wijzigingen in de wettelijke regeling onderzocht. De eerste betrof de invoering van de mogelijkheid voor de gewezen verdachte om, door zijn raadsman, in (zwaardere) afgesloten strafzaken aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad te doen verzoeken een nader onderzoek in te stellen naar de mogelijke aanwezigheid van een novum. De andere grote wijziging behelsde een verruiming van het wettelijke novumcriterium. Sinds de wetswijziging wordt niet langer een ‘omstandigheid’ van feitelijke aard verlangd, maar een ‘gegeven’, dat de rechter nog niet bekend was en – ware het hem bekend geweest – het ernstige vermoeden wekt dat hij tot een bepaald gunstigere uitspraak was gekomen. In het evaluatieonderzoek komen voorts alle andere wijzigingen aan de orde waartoe de bedoelde wet heeft geleid, waaronder de invoering van de verplichte procesvertegenwoordiging in de wettelijke regeling van de herziening ten voordele.

Additional Metadata
ISBN 978-94-6290-577-1
Persistent URL hdl.handle.net/1765/113364
Citation
Nan, J, Holvast, N.L, Lestrade, S.M.A, Mevis, P.A.M, & Mascini, P. (2018). Victa vincit veritas? Evaluatie Wet hervorming herziening ten voordele. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/113364