Deze bijdrage gaat over vergoeding van personenschade met een voortdurend karakter. Daarbij kan worden gedacht aan permanente arbeidsvermogensschade en aan doorlopende kosten voor hulp en zorg in geval van blijvend letsel. Ook de immateriële schade kan in een dergelijk geval worden beschouwd als een schadepost die zich over een tijdspanne uitstrekt. Het probleem dat bij dit soort doorlopende schadeposten speelt, is dat de schade zich niet eenvoudig laat herleiden tot een enkel schadevergoedingsbedrag. De drie onderwerpen waaraan in deze bijdrage aandacht wordt besteed, hebben daarmee te maken. Eerst komt schadevergoeding door middel van betaling van periodiek uit te keren bedragen aan bod: een mogelijkheid die naar de mening van de auteur meer moet worden benut. Vervolgens wordt ingegaan op aspecten van kapitalisatie van toekomstschade, te weten de rekenrente en de mogelijkheid van kapitalisatie met een peildatum in het verleden. Tot slot wordt aandacht besteed aan de vraag welk moment voor de begroting van immateriële schade bepalend moet zijn, en naar de (daarmee verweven) vraag vanaf welk moment de wettelijke rente over het smartengeld zou moeten lopen.

Additional Metadata
Persistent URL hdl.handle.net/1765/129574
Citation
Hebly, M.R. (2020). Begroting van personenschade: welke lessen zijn er nog te leren?. In LSA Revisited: Welke lessen zijn er nog te leren? (pp. 151–172). Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/129574