Invordering. Incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Alleen een zwaarwegend belang van de Ontvanger kan rechtvaardigen dat de schorsende werking die het verzet ingevolge art. 17 lid 2, tweede zin, Iw 1990 heeft op de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, wordt opzijgezet. Daarvan is sprake wanneer de belastingschuldige zijn bevoegdheid misbruikt door de aan het verzet verbonden schorsing van de tenuitvoerlegging in te roepen, en bijv. wanneer het verzet zo duidelijk kansloos is dat het belang van de belastingschuldige bij schorsing van de tenuitvoerlegging niet opweegt tegen het belang van de Ontvanger bij voortzetting van de tenuitvoerlegging. De aard van de verzetprocedure verzet zich niet ertegen dat een rechterlijke uitspraak, waarbij het verzet tegen een dwangbevel ongegrond wordt verklaard, op verzoek van de Ontvanger op de voet van art. 233 Rv uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Daarvoor is niet een daartoe strekkende vordering in reconventie van de Ontvanger vereist; voldoende is dat een daartoe strekkend verzoek wordt gedaan op zodanig duidelijke wijze dat de belastingschuldige niet wordt tekortgedaan in zijn recht zich daartegen te verdedigen

burgerlijk recht, civil law, private law
hdl.handle.net/1765/15094
Nederlandse Jurisprudentie: Uitspraken in burgerlijke en strafzaken, verschijnt sinds 1 januari 1913
Private Law

Mierlo, A.I.M, van. (2009). Annotatie in Nederlandse Jurisprudentie HR 8 juni 2007. Nederlandse Jurisprudentie: Uitspraken in burgerlijke en strafzaken, verschijnt sinds 1 januari 1913, (368), 2622–2622. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/15094