Milieutaken worden in Nederland door verschillende overheden (waaronder gemeenten) uitgevoerd. Dat is historisch zo gegroeid. Gemeentelijke milieutaken kunnen in medebewind worden uitgevoerd maar kunnen ook onder de autonome bevoegdheid van gemeenten vallen. Rijksmilieuwetgeving kan tot gevolg hebben dat milieutaken die voorheen in autonomie werden uitgevoerd daarna in medebewind moeten worden uitgevoerd. Via medebewindstaken bestaat de kans dat gemeenten meer uitvoeringsorganen van het Rijk worden ten koste van de gemeentelijke autonomie.1 Uit de diverse Milieuprogramma’s volgen wetswijzigingen die onder andere van invloed zijn op het milieutakenpakket van gemeenten. De door gemeenten uitgevoerde milieutaken moeten worden bekostigd en het is de vraag of bij milieutaakstelling door het Rijk de bekostiging adequaat wordt geregeld. Dit ziet op de financiële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten. Bekostiging van gemeentelijke milieutaken kan via het Gemeentefonds verlopen, via specifieke (interdepartementale) uitkeringen of via de gemeentelijke belastingen. Op rijksniveau zijn er ontwikkelingen geweest om het fiscale stelsel te vergroenen waarvan het de bedoeling was het milieu te dienen. Op het niveau van gemeenten is deze ontwikkeling beperkt geweest. In de praktijk is er kritiek op de heffing van gemeentelijke belastingen. Gemeentelijke belastingen zouden ondoorzichtig zijn en tussen gemeenten verschillen.2 Het is de vraag of die kritiek terecht is omdat ingevolge art. 217 Gemeentewet in iedere gemeentelijke belastingverordening alle essentialia van een belasting moeten zijn opgenomen. Wel kan van ondoorzichtigheid sprake zijn bij de kostentoedeling bij de bestemmingsheffingen.3 Op het terrein van milieuwetgeving spelen op dit moment met name ontwikkelingen op het gebied van (afval)water, mede als gevolg van de Europese Kaderrichtlijn Water. Op het gebied van (afval)water zijn in Nederland verschillende overheden actief; rijk, provincies, waterschappen en gemeenten. Uit de Kaderrichtlijn Water volgen wijzigingen voor wat betreft de toedeling en uitvoering van taken op het gebied van (afval)water en ook de bekostiging van die taken. PROBLEEMSTELLING De algemene probleemstelling die bij dit onderzoek centraal staat is: Wat is de invloed van de rijkstaakstelling op het gemeentelijke milieubeleid en de bekostiging daarvan en zijn er daarbij voor wat betreft de bekostiging tekortkomingen te onderkennen. Deze probleemstelling wordt onderzocht aan de hand van de volgende subvragen: 1. Hoe heeft de relatie voor wat bevoegdheden betreft tussen het Rijk en de gemeenten in de loop der tijd zich ontwikkeld? 2. Welke milieutaakstelling volgt voor gemeenten uit de diverse Milieuprogramma’s en is daarbij de bekostiging bij die taakstelling adequaat geregeld? 3. Hoe hebben de kosten van het inzamelen en verwerken van huishoudelijke afvalstoffen zich over een periode bij individuele gemeenten ontwikkeld? 4. Welke bestemmingsbelastingen staan gemeenten ter beschikking om milieutaken te bekostigen en welke aandachts- en knelpunten spelen bij de fiscale aspecten van bekostiging van milieutaken door gemeenten? 5. Welke ontwikkelingen zijn van invloed op de fiscale aspecten van bekostiging van milieutaken en in hoeverre zijn aanpassingen in de huidige systematiek wenselijk en/ of mogelijk (vergroening gemeentelijke belastingen)? 6. Welke wijzigingen volgen uit de Kaderrichtlijn Water en de naar aanleiding daarvan voorgestelde wetswijzigingen.

,
Erasmus University Rotterdam
hdl.handle.net/1765/15286
Erasmus School of Law

Groenewegen, G. (2009, March 26). Fiscale Aspecten Gemeentelijke Milieutaken. Erasmus University Rotterdam. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/15286