Tot in de jaren zeventig werd de medische professie gezien als een beroepsgroep met een grote mate van gezag en professionele vrijheid, die haar kennis in dienst stelde van de belangen van patiënten en samenleving. Omdat de samenleving vanouds een groot belang aan gezondheid hecht, maar geen zicht heeft op de kwaliteit en prijs van het medisch handelen, kwamen West-Europese overheden en de medische beroepen al rond de eeuwwisseling tot een vergelijk over de 'aanbodregulering' van de zorg. In ruil voor een redelijk inkomen en bescherming tegen concurrentie, reguleert het medisch beroep zichzelf in dienst van het algemeen belang door haar bepalende invloed op zaken zoals de medische opleidingen en het medisch tuchtrecht. Een belangrijk kenmerk van de aldus totstandgekomen zelfregulering is de klinische autonomie, waarvan de kern zich bevindt in de diagnostische en therapeutische vrijheid in het handelen van de individuele arts. Essentieel voor de werkzaamheid van de zelfregulering is dat burgers erop vertrouwen dat artsen de verkregen privileges, met name de klinische autonomie, niet zullen misbruiken,l Dit vertrouwen in het altruïsme van artsen is nooit een algemeen goed geweest. In 1 911 schreef de Britse schrijver Bernard Shaw bijvoorbeeld: 'That any sane nation, having observed that you could provide for the supply of bread by giving bakers a pecuniary interest in baking for you, should go on to give a surgeon a pecuniary interest in cutting of your leg, is enough to make one despair of political humanity." Sedert de jaren zeventig kreeg dit wantrouwen in de sociaal-wetenschappelijke literatuur hernieuwde aandacht. Binnen de machts- en beheersingsbenadering worden professies door sociologen, zoals Freidson, beschouwd als kartels gericht op het eigen belang.' Tegelijkertijd stelde een economische recessie grenzen aan de alsmaar stijgende kosten van de gezondheidszorg. Tot die tijd waren de aanvallen van niet-medische partijen op de zelfregulering van het medisch beroep succesvol door de artsen gepareerd. Sindsdien blijken de tijden voor de Britse, Nederlandse en Belgische artsen, gesitueerd in drie verschillende gezondheidszorgsystemen, drastisch te zijn veranderd.

Great Britain, Netherlands, health care, medical services
A.F. Casparie (Anton)
Erasmus University Rotterdam
hdl.handle.net/1765/18416
Erasmus School of Health Policy & Management (ESHPM)

van Herk, R. (1997, October 23). Artsen onder druk: Het kwaliteitsbeleid van de medische beroepen in Groot-Brittannië, Nederland en België tussen 1970 en 1996, als gevolg van de interne en externe druk op de zelfregulering van artsen.. Erasmus University Rotterdam. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/18416