Samenvatting Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft het Hof van Justitie prejudiciële vragen gesteld over (a) de betekenis van het begrip milieu-informatie in art. 2 van richtlijn 2003/4/EG (toegang van het publiek tot milieu-informatie) in verband met de toelatingsprocedure van een gewasbeschermingsmiddel, (b) de doorwerking van deze richtlijn in de toepassing van art. 14 van richtlijn 91/414/EG (art. 22 Bestrijdingsmiddelenwet) en (c) de toelaatbaarheid van de belangenafweging in nationale regelgeving in plaats van op toepassingsniveau. Het CBb is ervan uitgegaan dat de feiten beoordeeld dienen te worden op basis van het ten tijde van het nemen van het besluit toepasselijke recht (gelding richtlijn 2003/4). Anders de Nederlandse regering en de Commissie, die met betrekking tot het toepasselijke openbaarmakingsregime de datum van gegevensverstrekking door de aanvrager c.q. de datum van het openbaarmakingsverzoek wilden aanhouden (richtlijn 90/313/EEG). Met betrekking tot deze kwestie van overgangsrecht oordeelt het Hof als volgt. Een nieuwe rechtsregel is in beginsel van toepassing vanaf de inwerkingtreding van de rechtshandeling waar die regel deel van uitmaakt. Hoewel die regel niet van toepassing is op rechtssituaties die zijn ontstaan en definitief zijn verworven onder het oude recht, is zij wel van toepassing op de toekomstige gevolgen ervan alsmede op nieuwe rechtsstituaties. Dit ligt slechts anders, onder voorbehoud van het beginsel dat rechtshandelingen geen terugwerkende kracht hebben, wanneer de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere bepalingen die de voorwaarden voor toepassing ratione temporis ervan vastleggen. De op 14 februari 2005 in werking getreden richtlijn 2003/4, die richtlijn 90/313 heeft ingetrokken, bevat op dit punt geen bijzondere bepalingen. Derhalve beantwoordt het Hof de gestelde vragen op grond van richtlijn 2003/4.

, , , , , , , , , , ,
hdl.handle.net/1765/23321
Jurisprudentie Bestuursrecht
Erasmus School of Law

Overkleeft-Verburg, G. (2010). Hof van Justitie van 16 december 2010, zaaknr. C-266/09. Jurisprudentie Bestuursrecht, 1–18. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/23321