De door de Grieken voor het eerst in het jaar 776 v.Chr. georganiseerde Olympische spelen illustreren, hoelang de mens reeds in het lichamelijke prestatievermogen is geïnteresseerd. Zowel in de recreatieve als in de arbeidssector is de belangstelling voor het menselijke lichamelijk prestatievermogen snel groeiende. Deze belangstelling wordt gevoed door een voortdurende toevloed van informatie, die met behulp van nieuwe technische hulpmiddelen wordt verkregen. De definitie van het lichamelijk prestatievermogen is nog steeds een punt van discussie. Zo is Hebhelinek (1969) op grond van bestudering van 34 analytische onderzoekingen en definities van 21 prominente Amerikaanse en Europese auteurs tot de conclusie gekomen, dat het lichamelijke prestatievermogen de resultante is van psychosomatische en functioneel motorische geschiktheid. Bij gezonden wordt dit laatste bepaald door: kracht, coördinatie, uithoudingsvermogen en snel!:teid. Een veel handzamer definitie is gegeven door Bink (1959). Hij omschrijft het lichamelijk prestatievermogen als zijnde de maximale hoeveelheid uitwendige arbeid per tijdseenheid, die het menselijk organisme gedurende een zeker tijdsverloop in staat is te verrichten. Deze definitie geeft het met gestandariseerde functieproeven bepaalde lichamelijke prestatievermogen goed weer en werd uit dien hoofde als uitgangspunt voor deze studie gehanteerd.

inspanningsfysiologie, prestatievermogen
J. Gerbrandy , P.A.M. Van Leeuwen (Paul A. M.)
Erasmus University Rotterdam
Koninklijke Nederlandse Centrale Vereniging tot Bestrijding der Tuberculose, Nederlandse Sportfederatie
hdl.handle.net/1765/26421
Erasmus MC: University Medical Center Rotterdam

Mulder, A.W. (1971, November 24). De inspanningsproef en roeitraining. Erasmus University Rotterdam. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/26421