Indertijd werden wij bij de behandeling van patiënten, lijdende aan een haemolytische anaemie, getroffen door de sterke schommelingen in het Hb-gehalte van het perifere bloed. Tijdens de bepaling van de overlevings- duur van de erythrocyten met radioactief chroom bleken de fluctuaties van het Hb-gehalte en van het 51Cr-gehalte in het perifere bloed gelijk op te gaan. Aanvankelijk veronderstelden wij, dat dit veroorzaakt werd door technische tekortkomingen, zoals het indikken van bloed na langdurig stuwen van de bovenarm of door fouten in de laboratoriumbepalingen. Ook echter toen wij meer voorzorgen namen, zoals het ongestuwd afnemen van veneus bloed en minstens een half uur bedrust van de patiënt alvorens de venapunctie te verrichten, zagen wij deze parallel gerichte schommelingen van Hb-gehalte, haematocriet en de met 51cr-gemerkte erythrocyten in het bloed blijven. In 1965 en 1966 hebben Krull, Gerbrandy en Leijnse gewezen op het haemaeoncentrerend vermogen van de milt als verklaring voor de bovengenoemde schommelingen. Wii hebben daarop dit probleem verder onder- zocht bij alle patiënten met splenomegalie, die onder onze behandeling kwamen.

haemolytische anaemie, milt, splenomegalie
J. Gerbrandy , B. Leijnse
Erasmus University Rotterdam
hdl.handle.net/1765/26548
Erasmus MC: University Medical Center Rotterdam

Krull, G.H. (1969, June 29). De haemodynamische functie van de milt : een klinisch-experimenteel onderzoek naar het bloedopnemend, bloedconcentrerend en bloeduitdrijvend vermogen van de milt bij patiënten met splenomegalie. Erasmus University Rotterdam. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/26548