De gedragstherapeutische behandeling van dwangklachten verloopt soms voorspoedig. Vaak echter blijken dwangsymptomen zeer hardnekkig en wordt van de patiënt en van de therapeut veel creativiteit en doorzettingsvermogen gevraagd. In contacten met dwangpatiënten of supervisanden die dwangpatiënten gedragstherapeutisch behandelen, blijkt nogal eens dat veel gebruikte behandelingstechnieken tekortschieten. Het gaat dan bijvoorbeeld om responspreventie, flooding en denkstop {cf. Beech & Vaughan, 1978, Haaijman, 1977, Haaijman & Haaijman-van Breukelen; 1979, Marks, 1973, Rimm & Masters, 1974, Yates, 1970). Sommige auteurs {bijvoorbeeld Haaijman, 1977 en Haaijman & Haaijman-van Breukelen, 1979) maken echter duidelijk dat het praktisch en nuttig is deze gedragstherapeutische procedures aan te vullen met motiveringstechnieken, echtpaarbehandeling, psychodrama en zo meer. Bij een dergelijke praktische gerichtheid is het nut van verklaringsprincipes niet erg groot. Het hoeft dan ook geen verwondering te wekken dat wat uit de leertheorie bekend is over het ontstaan van dwanggedrag niet erg aansluit bij de therapeutische praktijk. Doorgaans lijkt de veronderstelling dat dwanggedrag een angstreducerende werking heeft voldoende grond te bieden voor het ontwerpen van een behandelingsplan. Dat niet altijd sprake is van angstreductie bij dwang is theoretisch misschien interessant, maar praktisch niet erg relevant. De idee dat verklaringsprincipes en erop gebaseerde behandelingsmethoden tekortschieten is echter onbevredigend. Het is immers mogelijk dat elke stap in de richting van een béter passende verklaring van het ontstaan van dwanggedrag ook tot verbetering van behandelingsprocedures kan leiden. De belangstelling naar de verklaring van het ontstaan van dwanggedrag is de drijfveer geweest voor het onderzoek waarover in dit proefschrift wordt gerapporteerd. Het uitgangspunt van het onderzoek is dat eenvoudige leerprincipes als klassieke en eperante conditionering niet goed verklaren hoe dwanggedrag ontstaat, noch wat precies het rituele van veel dwanggedrag bepaalt, waarom angst soms toeneemt bij het uitvoeren van dwanggedrag, en tenslotte waarom dwangpatiënten niet lijken te geloven dat het gedrag dat ze uitvoeren zinvol is

Dwanghandelingen, Experimentele psychologie, Obsessive-compulsive neurosis, neurologie
F. Verhage
Erasmus University Rotterdam , Swets & Zeitlinger, Lisse
978-90-265-0373-3
hdl.handle.net/1765/31547
Erasmus MC: University Medical Center Rotterdam

Trijsburg, R.W. (1981, June 5). Controle-onzekerheid : een experimenteel-psychologisch onderzoek naar een mogelijke ontstaansvoorwaarde voor dwanggedrag. Swets & Zeitlinger, Lisse. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/31547