De feiten en de procedure Wanneer een partij bij een wederkerige overeenkomst deze wil ontbinden vanwege het tekortschieten van haar wederpartij, dan moet die partij ofwel een schriftelijke ontbindingsverklaring uitbrengen ofwel ten overstaan van de rechter de ontbinding vorderen (art. 6:267 BW). De eerste manier van ontbinden, ook wel buitengerechtelijke ontbinding genoemd, lijkt redelijk laagdrempelig. Vereist is dat de debiteur tekortschiet in de nakoming van een verbintenis en in verzuim is (tenzij nakoming tijdelijk of blijvend onmogelijk is, dan is verzuim niet nodig; art. 6:265 lid 2 BW). Als die twee voorwaarden zijn vervuld, kan een schriftelijke ontbindingsverklaring worden uitgebracht, die de contractsband beëindigt. Maar wat als dat geschrift ontbreekt?1 De wet gaat ervan uit dat overeenkomsten niet vanzelf eindigen door de tekortkoming van een van de partijen. De partij die recht heeft op ontbinding, moet dat recht schriftelijk uitoefenen. Bij gebreke van een ontbindingsverklaring kan er dus geen ontbinding hebben plaatsgevonden, zo lijkt de simpele deductie. Toch zijn er complexe situaties denkbaar waar het weinig realistisch is om dat geschrift te eisen, zeker als partijen zich na de tekortkoming over en weer hebben gedragen alsof ze niet langer tot elkaar in een contractuele rechtsverhouding staan. Over een dergelijke complexe situatie gaat het geschil tussen G4 en Hanzevast.

hdl.handle.net/1765/32243
Ars Aequi: juridisch studentenblad
Erasmus School of Law

van Boom, W.H. (2012). Annotatie: Ontbinding zonder formaliteiten (HR 8 juli 2011, LJN: BQ1684; G4/Hanzevast). Ars Aequi: juridisch studentenblad, AA20120366(May), 366–371. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/32243