De laatste jaren wordt in het strafrecht steeds vaker gebruik gemaakt van bijzondere voorwaarden als een contactverbod, een meldplicht, het ondergaan van ambulante behandeling, in de meeste gevallen gecombineerd met toezicht door de (jeugd)reclassering. Golden dit soort minder ingrijpende alternatieven voor detentie in de jaren tachtig en negentig als ‘soft’, in het nieuwe millennium zijn ze ‘ontdekt’ als sancties die effectief zijn en goed passen in de nieuwe persoonsgerichte aanpak. Ze worden toegepast in alle fasen van het proces, als bijzondere voorwaarde bij een sepot, bij een schorsing van de voorlopige hechtenis, bij een voorwaardelijke sanctie en sinds de herinvoering daarvan per 1 juli 2008 ook bij de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het jeugdstrafrecht, dat vanwege zijn pedagogische opdracht van oudsher meer persoonsgericht is, vervult hierbij een voortrekkersrol. Op 1 februari 2008 heeft daar een nieuwe sanctie haar intrede gedaan die volledig wordt ingevuld met dit soort bijzondere voorwaarden, de gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM). Bij diezelfde wet is tevens het Besluit gedragsbeïnvloeding jeugdigen ingevoerd, waarin een aantal veelgebruikte bijzondere voorwaarden zijn geëxpliciteerd en in tijdsduur worden beperkt. Dit gebeurde enerzijds met het oog op het legaliteitsbeginsel, maar ook om ‘voorzichtige’ rechters te stimuleren om vaker gebruik te maken van bijzondere voorwaarden. In navolging daarvan worden ook in het volwassenenstrafrecht de mogelijkheden tot het gebruik van bijzondere voorwaarden steeds verder verruimd.

herstelrecht, strafrecht
hdl.handle.net/1765/37577
Tijdschrift voor Herstelrecht
Erasmus School of Law

uit Beijerse, J. (2012). Herstelbemiddeling als alternatief voor voorlopige hechtenis. Tijdschrift voor Herstelrecht, 12, 3–6. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/37577