De traditionele terughoudendheid ten aanzien van de chirurgische behandeling van afwijkingen aan het neustussenschot (septum nasi) bij kinderen is gedurende de laatste decennia afgenomen. Dit hangt samen met de vervanging van de partiële submuceuze septurnresectie (Freer 1902, Killian 1908) door de meer behoudende submuceuze septurncorrectie (Cottle en Loring 1948, Goldman 1956, Masing 1971). Bij de septurnresectie worden scheve delen van het benige en kraakbenige neustussenschot, die de passage in de neus belemmeren, verwijderd. Bij de septurncorrectie worden de gedevieerde septurndelen losgemaakt (partieel of totaal) en in de mediaanlijn geplaatst, terwijl als regel alleen overtollig been en kraakbeen wordt gereseceerd. Soms zijn grote resecties noodzakelijk. Om de structuur van het neustussenschot zo veel mogelijk te herstellen, worden dan op maat gebrachte delen van het gereseceerde kraakbeen en/ of been gereïmplanteerd. De klinische waarneming, dat bij kinderen die een septurnresectie ondergingen, de uitwendige neusvorm zich (soms vele jaren later) abnormaal ontwikkelde, heeft destijds geleid tot de genoemde terughoudendheid (Hayton 1916, Ombrédanne 1942). Ook de resultaten van experimenteel onderzoek waaruit de belangrijke rol van het neustussenschot in de morfogenese van de neus en bovenkaak bij proefdieren bleek, werden beschouwd als een waarschuwing voor chirurgische ingrepen aan het groeiend neustussenschot (Sarnat en Wexler 1967a, 1967b, Ohyama 1969, Kremenak en Searls 1971, Kvinnsland 1974, Verwoerd e.a. 1976, 1979a en Mastenbroek 1978). Daar er bij de submuceuze septurncorrectie meer van de oorspronkelijke structuur van het neustussenschot behouden blijft, werd een geringere verstoring van de uitgroei van de neus verwacht. Hierdoor ontstond een afname in de terughoudendheid ten aanzien van chirurgische ingrepen aan het groeiend neustussenschot (Cottle 1951). Bij het stellen van de indicatie tot septurncorrectie bij kinderen, zal men de verbetering van functie en vorm op korte termijn moeten afwegen tegen een eventuele verstoring van de groei van de neus (en bovenkaak) ten nadele van functie en vorm op langere termijn. Gedegen klinisch onderzoek stuit hier op verscheidene moeilijkheden, zoals de noodzaak de geopereerde kinderen te volgen totdat de groei is opgehouden, de verscheidenheid van de neusletsels en de dientengevolge niet goed te standaardiseren operaties en tenslotte de heriditair bepaalde verschillen in de vorm van de neus. Het is daarom gewenst dat experimenteel onderzoek naar de effecten van ingrepen aan een groeiend neustussenschot wordt gedaan, om zo tot een verantwoorde behandeling van kinderen met ernstige afwijkingen aan het neustussenschot te komen

groei, implantatie, konijn, neustussenschot
C.D.A. Verwoerd
Erasmus University Rotterdam
hdl.handle.net/1765/38544
Erasmus MC: University Medical Center Rotterdam

Nolst Trenité, G.J. (1984, June 22). Implantaten in een groeiend neustussenschot : een experimenteel onderzoek bij het konijn. Erasmus University Rotterdam. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/38544