In de afgelopen decennia heeft de medische zorg voor de zieke pasgeborene zich ontwikkeld tot een zeer gespecialiseerd vakgebied (Cockburn en Drillien 1974, Avery 1981, Avery en Taeusch 1984, Fanaroff en Martin 1983). Door een explosieve toename van de kennis van de foetale en neonatale fysiologie (Dawes 1968, Smith en Nelson 1976) en door ontwikkelingen in de medische technologie verbeterde het inzicht in de adaptatieproblematiek van de pasgeborene en werd het mogelijk stoornissen tijdig te herkennen en te behandelen. Dankzij de ontwikkeling van methoden ter bewaking en ondersteuning van vitale functies bleken ernstige ventilatoire en circulatoire problemen in vele gevallen adequaat te kunnen worden opgevangen (Gregory et al. 1971, Reynolds 1971, Reynolds en Taghizadeh 1974, Heicher et al. 1981). Door nieuw verworven kennis over immuniteit en bacteriële kolonisatie en de ontwikkeling van bruikbare antibiotica werd een effectieve bestrijding van levensbedreigende infecties meestal mogelijk. Dankzij nieuwe kennis over stofwisseling en lichaamssamenstelling konden een toenemend aantal stoornissen in het interne milieu tijdig worden gesignaleerd en verholpen. Ook de obstetrische zorg maakte in de afgelopen jaren belangrijke ontwikkelingen door. Het werd mogelijk meer dan 100 verschillende hereditaire ziekten in een vroeg stadium van de zwangerschap door middel van vruchtwateronderzoek bij de foetus vast te stellen. In geval van therapeutisch niet-beinvloedbare ziekte kan dan de geboorte van een kind met ernstige defecten worden voorkomen. De toestand van de foetus in utero bleek met behulp van echografische technieken en de cardiotocografie beter te kunnen worden beoordeeld (Donald et al. 1958, Hon 1958, Taylor et al. 1967, Campbellen Dewhurst 1971, Dunne en Johnson 1979). Het bleek mogelijk de longrijping van het ongeboren kind door toediening van corticosteroiden aan de moeder te bevorderen (Liggins en Howie 1972). Met behulp van medicamenteuze weeënremming en weeënstimulatie werd het mogelijk het tijdstip van een bevalling in hoge mate te beïnvloeden. Bovenstaande en andere pediatrische en obstetrische verworvenheden hadden een belangrijke invloed op de mortaliteit en morbiditeit van de pasgeborene. Tussen 1960 en 1980 daalde de perinatale sterfte in Nederland van 27 per 1000 levendgeborenen tot 11 per 1000. In Finland daalde de perinatale sterfte plaatselijk zelfs tot minder dan 10 per 1000, een getal dat de geschatte minimaal mogelijke mortaliteit van 8.5 per 1000 dicht nadert. De invloed van de neonatale intensieve zorg op de daling van de perinatale mortaliteit is met name gelegen in de verbeterde overlevingskansen van neonaten met een geboortegewicht onder de 1500 gram. Deze minder dan 1% van alle pasgeborenen tellende groep omvat 30 tot 50% van de opnamen op een afdeling voor neonatale intensieve zorg. Dankzij de geavanceerde medische techniek steeg de overlevingskans van deze groep patiënten van ongeveer 30% in 1960 tot ongeveer 70% in 1980 (Stewart et al. 1981). De sterk verbeterde mortaliteitscijfers gingen gepaard met een geringe daling van het percentage ernstig gehandicapte overlevenden. Tien tot 15% van de overlevenden lijden echter aan min of meer ernstige motorische, zintuiglijke, of intellectuele stoornissen.

, ,
J.W. Mettau , M. de Vlieger (Marinus)
Erasmus University Rotterdam
hdl.handle.net/1765/38548
Erasmus MC: University Medical Center Rotterdam

Baerts, W. (1984, June 27). Intracraniële bloedingen bij preterm geborenen: een echografische studie. Erasmus University Rotterdam. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/38548