In deze zaak draait het om een conflict tussen een particuliere huiseigenaar en een aannemer. De eigenaar geeft opdracht aan de aannemer tegen een aanneemsom van ongeveer € 100.000 om een verbouwing uit te voeren. In de algemene voorwaarden van de aannemer, die op de aannemingsovereenkomst van toepassing zijn, staat dat de opdrachtgever bij te late betaling 2% rente per maand verschuldigd is. Als er vervolgens een conflict ontstaat over de eindafrekening en de opdrachtgever betaling weigert, vordert de aannemer in rechte betaling van het nog openstaande bedrag, vermeerderd met de bedongen 2% rente. De rechtbank wijst de vordering van de aannemer af. Daarop stelt de aannemer hoger beroep in bij het Hof Den Bosch, en het hof wijst de vordering inclusief de contractueel bedongen rente toe. Nu zoekt de opdrachtgever het hogerop. Hij beklaagt zich er in cassatie over dat het hof heeft nagelaten om ambtshalve te onderzoeken of het rentebeding de opdrachtgever bond. Deze rechterlijke verplichting tot ambtshalve toetsing van bedingen in algemene voorwaarden zou namelijk voortvloeien uit Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn),1 zoals uitgelegd door het Hof van Justitie EU (HvJ). De Hoge Raad geeft allereerst een overzicht van de rechtspraak van het HvJ, om vervolgens te beslissen dat het Hof Den Bosch inderdaad verzuimd heeft om het beding ambtshalve te toetsen. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling.

Additional Metadata
Persistent URL hdl.handle.net/1765/51298
Journal Ars Aequi: juridisch studentenblad
Citation
van Boom, W.H. (2014). Ambthalve toetsing bij oneerlijke bedingen (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, TvC 2013/6, p. 262). Ars Aequi: juridisch studentenblad, 2014(May), 358–362. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/51298