Interactie tussen AT1 en a1-adrenerge receptoren (Hoofdstuk 6) Carvedilol, de selectieve ß1-adrenoceptor antagonist metoprolol, de niet-selectieve ßadrenoceptor antagonist propranolol, en de a1-adrenoceptor antagonist prazosin beïnvloedden geen van allen de constrictoire respons van HCMA’s op Ang II. Ang II, na toevoeging aan het orgaan bad in een lage (non-constrictoire) concentratie, versterkte de respons op de a1-adrenoceptor agonist fenylefrine enorm. Zowel carvedilol als de AT1 receptor antagonist irbesartan remden deze door Ang II geïnduceerde potentiatie. Carvedilol remde eveneens de door Ang II versterkte ophoping van inositolfosfaten onder invloed van fenylefrine in hartspiercellen. Samenvattend kan gesteld worden dat AT1-a1-receptor ‘crosstalk’, mogelijk via inositolfosfaten, HCMA’s gevoeliger maakt voor a1-adrenoceptor agonisten. De a1-adrenoceptor blokkerende effecten van carvedilol zorgen er voor dat carvedilol dit potentiërende effect van Ang II tegen kan gaan. Dit verklaart waarom het bloeddrukverhogende effect van Ang II bij patiënten met hartfalen die behandeld worden met carvedilol kleiner is dan bij patiënten die behandeld worden met metoprolol.

Erasmus University Rotterdam
978-90-8559-058-3
hdl.handle.net/1765/6885
Erasmus MC: University Medical Center Rotterdam

Batenburg, W.W. (2005, June 30). Angiotensin II-induced vasodilation: role of bradykinin, NO and endothelium-derived hyperpolarizing factors. Erasmus University Rotterdam. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/6885