In de 20e-eeuwse hermeneutiek vormt de metafoor een centrale figuur om de verhouding tussen waarheid en taal te begrijpen. Traditioneel wordt de metafoor gekarakteriseerd door de mogelijkheid om woorden in een afwijkende zin te gebruiken. In een ongebruikelijke context geplaatst werpen de overdrachtelijk gebruikte woorden een nieuw licht op de besproken zaken. Bovendien brengt de metafoor dingen bij elkaar die op basis van ‘letterlijk’ of ‘dagelijks’ taalgebruik ver van elkaar staan. In de hermeneutische wijsbegeerte worden deze klassieke karakteristieken van de metafoor geïnterpreteerd in het kader van betekenisvernieuwing: daar waar de dingen in een nieuw licht verschijnen, worden ze voor het eerst of op een andere wijze voor ons toegankelijk. De metafoor bepaalt aldus op twee manieren onze toegang tot de werkelijkheid: de metafoor opent de werkelijkheid op een nieuwe manier voor ons en de metafoor vormt – voorafgaand aan elke conceptuele bepaling – de eerste toegang tot de werkelijkheid. De wijze waarop Paul Ricoeur en Jacques Derrida deze nieuwe dimensie van de metafoor overdenken staat centraal in deze bijdrage. Aan de hand van Ricoeurs ‘semantische innovatie’ en Derrida’s ‘usure’ wil ik analyseren hoe de metafoor volgens beide denkers een ruimte voor betekenisvernieuwing, -verrijking en -verstrooiing opent.

Derrida, Rocoeur, metafoor, user
hdl.handle.net/1765/7085
Filosofiedag 2005
Erasmus School of Philosophy

van der Heiden, G.J. (2005). Innovatie en ‘usure’ – de metafoor bij Ricoeur en Derrida. Filosofiedag 2005. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/7085