De werknemer kan letselschade die hij oploopt bij de uitoefening van de beroepswerkzaamheden, op de werkgever verhalen, tenzij deze kan aantonen dat hij geen zorgplicht heeft geschonden of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer zelf (art. 7:658 BW). Werkgevers lijken deze bewijslastomkering nogal eens te onderschatten. Niet alleen dient de werkgever te bewijzen wát er is gebeurd (HR 29 juni 2001, NJ 2001, 476), maar ook dat hij in de gegeven omstandigheden voldoende zorg heeft betracht. Die zorgplicht is niet absoluut, zodat de werkgever niet de verplichting heeft om ‘door theoretisch en praktisch onfeilbaar werkende veiligheidsmaatregelen een werknemer volledig tegen gevaren te beschermen’ (aldus HR 14 april 1978, NJ 1979, 245). Het gaat er om of het gevaar op de werkvloer zodanig onder controle is gebracht als redelijkerwijs van de werkgever gevergd kan worden. Dat klinkt vriendelijk, maar in werkelijkheid wordt een serieuze inspanning van de werkgever gevraagd. En de feitenrechter moet in dat verband alle relevante omstandigheden serieus wegen, zo luidt de boodschap van dit arrest.

, , ,
hdl.handle.net/1765/7513
Jurisprudentie Aansprakelijkheid
Private Law

van Boom, W.H. (2006). Annotatie bij HR 11-11-2005, C04/253HR. Jurisprudentie Aansprakelijkheid, 1–6. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/7513