Abstract

De ouders van een vermoorde dochter hebben de daders aansprakelijk gesteld en vorderen schadevergoeding wegens confrontatie met een schokkende gebeurtenis. Hun dochter is eerst gewurgd en vervolgens, nadat zij om het leven was gebracht, met benzine overgoten en in brand gestoken. De ouders zijn enkele uren na de moord door de politie op de hoogte gesteld en hebben haar moeten identificeren aan de hand van verkoolde kledingresten en sieraden. Zij hebben geen afscheid meer kunnen nemen van (het lichaam van) hun dochter, omdat dit door de gruwelijke verminkingen niet mogelijk was. In de media zijn de ouders voortdurend geconfronteerd met de gebeurtenis en in het kader van het strafrechtelijk onderzoek hebben zij nog meer details gehoord en foto’s gezien. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of voldaan is aan het vereiste van directe confrontatie. De rechtbank oordeelde dat, mede gelet op de ernst van de normschending, de ouders een aanspraak hebben op vergoeding van hun schade. Na dit tussenvonnis wijst de Hoge Raad het Vilt-arrest en blijkt dat de ernst van de normschending het confrontatievereiste niet mag afzwakken. De rechtbank ziet geen aanleiding om terug te komen op haar eerdere beslissing; ook zonder het vereiste van directe confrontatie af te zwakken zouden de omstandigheden maken dat aan het vereiste is voldaan. Het hof oordeelt – zonder in te gaan op de ernst van de normschending – eveneens dat de ouders aanspraak kunnen maken op schadevergoeding. Door middel van de confrontatie met de verkoolde kledingresten en sieraden alsmede de onmogelijkheid tot identificatie (en afscheid) van hun dochter zouden de ouders op directe wijze zijn geconfronteerd met de ernstige gevolgen van de gebeurtenissen die haar dood tot gevolg hebben gehad en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Gelet op de impact van de voorstellingen die het bij de ouders onvermijdelijk heeft opgeroepen, is dit volgens het hof vergelijkbaar met een feitelijke waarneming. Daarbij zijn de ouders voortdurend zowel in de media als tijdens het strafrechtelijk onderzoek met details geconfronteerd, aldus het hof. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, die oordeelde dat de ouders recht hebben op ieder 12.000 Euro vergoeding voor immateriële schade wegens confrontatie met de schokkende gebeurtenis.

Additional Metadata
Keywords onrechtmatige daad, burgerlijk recht, letselschade
Persistent URL hdl.handle.net/1765/78370
Journal Jurisprudentie Aansprakelijkheid
Citation
van der Zalm, I. (2014). Noot bij Hof Arnhem-Leeuwarden 16 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9440; shockschade, directe confrontatie, ernstige normschending, onrechtmatige daad. Jurisprudentie Aansprakelijkheid, 2, 355–363. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/78370