In de periode van oktober 2002 tot maart 2003 heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen op plaatsen waar de Wet Bopz niet van toepassing is. Het onderzoek omvatte alle niet-intramurale zorgaanbieders, die zich bezighou-den met zorg aan psychogeriatrische patiënten en/of verstandelijk gehandicapten, zoals thuiszorg, huisartsen, gezinsvervangende tehuizen, woonzorgcomplexen. Daarnaast strekte het onderzoek zich uit naar ziekenhuizen. Vrijheidsbeperkingen en vrijheidsbeperkende maatregelen worden in dit verband gedefinieerd als alle middelen of maatregelen die in de zorg aan psychogeriatrische patiënten en verstande-lijk gehandicapten toegepast worden, met als doel of als effect het beperken van de vrijheid. De onderliggende vraag was in hoeverre er in dit verband behoefte bestaat aan extra rechtsbe-scherming voor psychogeriatrische patiënten en verstandelijk gehandicapten. De onderzoeksvraag is geoperationaliseerd in drie deelonderzoeken. Het eerste deelonderzoek betrof een literatuurstudie, waaronder een onderzoek naar parlementaire stukken, alsmede een jurisprudentieonderzoek, teneinde van de reikwijdte van bestaande wettelijke regelingen vast te stellen. Het tweede deelonderzoek was kwalitatief van aard en had als oogmerk het in kaart brengen van de verscheidenheid aan ervaringen van zorgaanbieders in de verschillende sectoren met betrekking tot toepassingen van vrijheidsbeperkingen. Er hebben in totaal 108 interviews, op verschillende niveaus binnen de organisatie, plaatsgevonden in 35 instellingen. Ook met vertegenwoordigers van psychogeriatrische patiënten en verstandelijk gehandicapten zijn gesprekken gevoerd. Het derde deelonderzoek betrof een onderzoek onder ruim 2000 zorgaanbieders, waarmee een aantal gegevens met betrekking tot het vóórkomen van vrij-heidsbeperkingen bij de doelgroepen en procedures die daarbij worden gehanteerd, konden worden gekwantificeerd. Het onderzoek laat zien dat bij minimaal de helft van de zorgaanbieders vrijheidsbeperkende maatregelen op psychogeriatrische patiënten en/of verstandelijk gehandicapten worden toege-past. Vrijwel alle ziekenhuizen hebben ermee te maken, maar ook huisartsen worden in hun praktijk, meestal via andere zorgaanbieders, met toepassingen van vrijheidsbeperkingen geconfronteerd. De maatregelen variëren van toepassingen van medicatie, tot het vastleggen van cliënten met Zweedse banden. De aard van de maatregelen die worden toegepast hangt mede af van de categorie zorgaanbieders. Een knelpunt in de praktijk is dat geen centrale registratie van toepassingen plaatsvindt, waardoor zorgaanbieders niet kunnen aangeven hoeveel vrijheidsbeperkingen er voorkomen en er evenmin beleid wordt ontwikkeld om vrij-heidsbeperkingen zoveel mogelijk te beperken. Uit het kwalitatief onderzoek komt naar voren dat op de meeste plaatsen vrijheidsbeperkende maatregelen niet als een vanzelfsprekendheid worden toegepast, al moet daarbij worden opgemerkt dat het zorgverleners niet altijd duidelijk is wat onder een vrijheidsbeperkende maatregel moet worden verstaan. Het vrijheidsbeperkende karakter van sommige maatregelen wordt in een aantal gevallen niet herkend, zoals toepassingen van bedhekken, of andere ‘lichtere’ vormen van fixatie, zoals het plaatsen in een diepe stoel, of het gebruik van tafelsteu-nen in een rolstoel. In literatuur en wetgeving wordt ‘verzet’ gehanteerd als onderscheidend criterium in de vraag wanneer inbreuk op vrijheden gemaakt worden. Het is de vraag of in de psychogeriatrische en verstandelijk gehandicaptenzorg daarmee voldoende bescherming wordt geboden. In de praktijk blijkt het in beide sectoren moeilijk vast te stellen wanneer er nu echt sprake is van verzet, onder meer dvanwege de aard van de aandoening of beperking, en door hospitalisatie van cliënten. i Desalniettemin komt het uit onderzoek naar voren dat het veld de problematiek herkent. Met name in de verstandelijk gehandicaptenzorg valt op dat veel zorgaanbieders proberen om de regelingen uit de Wet Bopz zoveel mogelijk te vertalen naar plaatsen waar deze wet niet van toepassing is. Een bewustwordingsproces is gaande, maar leidt nog onvoldoende tot een nauwkeurig beleid om vrijheidsbeperkingen zoveel mogelijk te voorkomen, te beperken en in alle situaties te zorgen voor een adequaat toezicht. Het veld heeft behoefte aan meer duidelijk-heid met betrekking tot de mate waarin vrijheidsbeperkingen binnen de eigen sector zijn toegestaan en de procedures die daarbij gevolgd dienen te worden. De juridische basis voor toepassingen van vrijheidsbeperkingen moet gezocht worden in de Wgbo, in het geval van dwang in art. 7: 465 lid 6 en 7:466 BW. Het onderzoek laat zien dat er geen beletsel is om vrijheidsbeperkingen op basis en onder de condities van deze bepalingen toe te passen. De reikwijdte van art. 7:465 lid 6 BW is dezelfde als die van art. 38 lid 5 Bopz. Noch uit jurisprudentie, noch uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de Wgbo een meer beperkte werking heeft. Voorts is bekeken of er strijd is met Europese verdragen. Wanneer een vrijheidsbeperking het karakter van een detentie krijgt, moet worden voldaan aan art. 5 lid 4 EVRM, hetgeen met zicht meebrengt dat iemand die dat wenst directe toegang tot de rechter moet kunnen hebben om tegen zijn detentie te ageren. Uit jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat in het kader van een behandeling detentie niet snel wordt aangenomen. Boven-dien is niet ondenkbaar dat de wettelijke grondslag die art. 7:465 lid 6 BW biedt, in combinatie met de mogelijkheid voor iemand om toegang tot de burgerlijke rechter te zoeken met behulp van art. 6:162 (onrechtmatige daad) of 3:74 (wanprestatie) voldoende is. Het EHRM toetst echter aan de feitelijke mogelijkheden om door de rechter gehoord te worden. In het nog niet door Nederland geratificeerde Verdrag inzake de Rechten van de Mens en de Biogeneeskunde (VRMB) zijn meer aanknopingspunten te vinden dat de bescherming in de Nederlandse wetgeving tekortschiet. Met name het feit dat er geen onafhankelijke persoon namens de wilsonbekwame patiënt optreedt indien er geen in de Wgbo genoemde vertegen-woordiger voorhanden is, en het ontbreken van extra waarborgen als toezicht, en klachtmoge-lijkheden ingeval van dwangbehandeling kunnen in de toekomst mogelijk knelpunten opleveren. De conclusie van dit onderzoek luidt dat er juridisch weinig beletsels zijn om vrijheidsbeperkin-gen toe te passen op plaatsen waar de Wet Bopz niet van toepassing is, maar dat de mate waarin de relevante bepalingen van de Wgbo bescherming bieden onvoldoende zijn. Het ontbreekt met name aan prikkels voor het veld om transparantie te betrachten en voor zorgaan-bieders om een bewust beleid te ontwikkelen om vrijheidsbeperkingen zoveel mogelijk te voorkomen en terug te dringen. Daarnaast houdt de bestaande wettelijke regeling onvoldoende rekening met veelal beperkte(re) capaciteiten van psychogeriatrische patiënten en verstandelijk gehandicapten om hun wil te uiten en voor hun eigen rechten op te komen. Het hanteren van begrippen als ‘verzet’ en ‘dwang’ bij deze cliëntengroepen zijn onvoldoende om adequate bescherming met betrekking tot toepassing van vrijheidsbeperkingen te bieden. Een verbeterde wettelijke regeling dient daarom het volgende te bevatten: 1) Onder welke voorwaarden vrijheidsbeperkingen zijn toegestaan 2) De juiste condities voor een verantwoorde toepassing, hetgeen onder meer met zich mee-brengt: a. Een adequate verantwoordelijkheidstoedeling bij een arts en/of gezondheidszorg-psycholoog b. Een waarborg van voldoende deskundigheid van betrokken zorgverleners; c. Een inzichtelijke en zorgvuldige procedure. d. Een waarborg van voldoende toezicht. 3) Transparantie en toetsbaarheid van toepassingen. ii 4) Het ontwikkelen van een actief beleid om vrijheidsbeperkingen zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken. 5) Een mogelijkheid tot rechtshandhaving indien er rechten geschonden zijn, waarbij rekening gehouden wordt met de kwetsbare positie die onderhavige cliëntengroepen innemen.

bopz, pg, vg, vrijheidsbeperking, wgbo
Ministerie VWS
978-90-807487-8-1
hdl.handle.net/1765/7882
Erasmus School of Health Policy & Management (ESHPM)

Arends, L.A.P. (2004). Beperkt door zorg: Toepassingen van vrijheidsbeperkingen bij psychogeriatrische patiënten en verstandelijk gehandicapten op plaatsen waar de Wet bopz niet van toepassing is. Ministerie VWS. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/7882