Sinds 1 december 1999 kunnen verzorgingshuizen een zogeheten Bopz-aanmerking aanvragen ten behoeve van de zorg voor psychogeriatrische bewoners/cliënten. Om deze groep bewoners een goede zorg te kunnen bieden is soms het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen noodzakelijk. Lang niet in alle gevallen gebeurt die toepassing met toestemming van de bewoner of diens vertegenwoordiger. Dit kan verschillende oorzaken hebben: het is mogelijk dat men het met de toepassing niet eens is of men is niet in staat om die toestemming te geven. In die situaties wordt er dan formeel dwang toegepast op de bewoner. Het is dan noodzakelijk dat volgens de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (Wet Bopz) gewerkt wordt. Psychogeriatrische bewoners die daarvoor in aanmerking komen krijgen dan een zogeheten Bopz-status (door middel van een Bopz-indicatie door het RIO, of soms als dit noodzakelijk is, door middel van een rechterlijke machtiging). Instellin-gen met een Bopz-aanmerking zijn bevoegd om bewoners met een Bopz-status op te nemen en hen ook speciale zorg te leveren. Zonder een Bopz-aanmerking is een verzorgingshuis niet bevoegd om vrijheidsbeperkende maatregelen toe te passen en zeker niet als daar dwang bij wordt gebruikt. Het doel van de Wet Bopz is namelijk rechten van (psychogeriatrische) bewoners die door hun aandoening extra onder druk staan, te beschermen. Arcares heeft de afgelopen periode signalen ontvangen dat maar een zeer beperkt aantal verzorgingshuizen een Bopz-aanmerking heeft aangevraagd en dat slechts weinigen een dergelijke aanmerking in de nabije toekomst overwegen. Uit gegevens van het Ministerie van VWS blijkt ook dat op 1 juni 2001 slechts 6,5% van alle ver-zorgingshuizen een Bopz-aanmerking had aangevraagd. Het merendeel van die aanvragen betreft aanvragen voor een aanmerking voor een verpleegunit. Deze units maken formeel zelfs vaak geen onderdeel uit van het verzorgingshuis. Daarom is aan het instituut Beleid en Management Gezondheidszorg, onderdeel van de Eras-mus Universiteit Rotterdam, opdracht gegeven om te onderzoeken welke knelpunten zich voordoen bij het invoeren van de Wet Bopz voor verzorgingshuizen. Noodzaak aanvraag In de eerste plaats is bekeken in hoeverre het noodzakelijk is dat verzorgingshuizen een Bopz-aanmerking aanvragen. Het blijkt dat vrijwel alle verzorgingshuizen psy-chogeriatrische bewoners in huis hebben. Velen passen ook vrijheidsbeperkende maatregelen toe. Onder vrijheidsbeperkende maatregelen wordt verstaan fixatie (bij-voorbeeld het gebruik van Zweedse banden of een tafelsteun, maar ook het plaatsen van een bewoner in een diepe stoel waar hij niet zelfstandig uitkan, het plaatsen van bedhekken et cetera), afzondering, medicatie (psychofarmaca of sederende medica-tie met het doel om iemand ‘rustig’ te houden, zodat hij bijvoorbeeld niet gaat rond-zwerven), het gecamoufleerd toedienen van medicatie als dit tot doel heeft iemand die geen medicijnen wil innemen te ‘misleiden’, en tot slot het gedwongen toedienen van voedsel of vocht. Het veelvuldig toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen, betekent ook dat rechten van bewoners voortdurend onder druk staan. Ook al is er toestemming van bijvoorbeeld de familie: de bewoner wordt in diens vrijheden beperkt. Dit betekent dat voor een aanzienlijk percentage verzorgingshuizen een Bopz-aanmerking geïndiceerd is. Uit het onderzoek blijkt dus dat de meeste verzorgingshuizen eigenlijk een Bopz-aanmerking zouden moeten aanvragen. Dit gebeurt echter niet. De vraag rijst hoe dat komt. Oorzaken niet-aanvragen Er zijn twee oorzaken. De eerste heeft te maken met kennis van verzorgingshuizen met de inhoud van de Wet Bopz. Verzorgingshuizen zijn meestal wel op de hoogte van het feit dat men een Bopz-aanmerking kan aanvragen. Daartoe zijn zij in het algemeen geïnformeerd door Ministerie van VWS, de Inspectie of een brancheorganisatie. Het lijkt er echter op dat instellingen onvoldoende op de hoogte zijn van de doelstellingen van de Wet Bopz: bescherming van de rechten van psychogeriatrische bewoners en daarmee samen-hangend het betrachten van transparantie als een inbreuk op die rechten wordt ge-maakt. Men ziet de wet veeleer als lastig, bureaucratisch en te weinig passend bij de eigen sector. In de tweede plaats worden aan het verkrijgen van een Bopz-aanmerking allerlei ei-sen gesteld. Dat varieert van het werken volgens de regels van de Wet Bopz (zoals het opstellen van een zorgplan en het hebben van een arts die in staat is de Wet Bopz uit te voeren) tot de voorwaarde dat een verzorgingshuis een aparte Bopz-afdeling dient te creëren. Uit het onderzoek blijkt dat met name dit laatste een groot obstakel vormt voor verzorgingshuizen om een aanmerking aan te vragen. Hiervoor worden de volgende redenen aangegeven: 1. Het verplaatsen van de psychogeriatrische bewoners naar één afdeling past niet binnen de zorgvisie. 2. Er zijn geen mogelijkheden om een aparte afdeling te creëren: · het gebouw is te oud · De instelling is te klein. Middelen en het personeel ontbreken dan en bo-vendien is een dergelijke voorziening dan te duur. 3. Volgens een vijfde van de respondenten zijn er geen bewoners die in aan-merking komen voor een Bopz-indicatie. Op basis van de resultaten van dit onderzoek is moeilijk te achterhalen of dit beeld terecht is. Niet bekend is of bij de groep bewoners om wie het gaat in de betreffende verzorgingshuizen daadwerkelijk dwang wordt toegepast, dan wel vrijheidsbeperkende maatre-gelen zonder uitdrukkelijke toestemming van de wilsonbekwame bewoner, maar zonder dat deze zich daartegen verzet. In deze gevallen is een Bopz-indicatie noodzakelijk. 4. Er worden teveel eisen gesteld aan een aanmerking. Gaan verzorgingshuizen wel over tot een aanvraag voor een Bopz-aanmerking, dan blijkt de procedure ook niet soepel te verlopen. Aanvragende instellingen komen de volgende knelpunten tegen: 1. Het geschikt maken van een deel van het gebouw. 2. De procedure kost veel tijd voor betrokkenen. Hierbij wordt met name het gaan werken volgens de Wet Bopz, met daarmee gepaard gaand het ontwik-kelen van Bopz-beleidsplannen en protocollen als tijdsbelastend ervaren. Daarnaast blijken ook het Ministerie en/of de Inspectie veel tijd te nemen voor een beoordeling, zonder dat er daadwerkelijk waarneembaar iets gebeurt. 3. De scholing van de medewerkers kost moeite. Het kost bovendien veel tijd en geld. Vaak is er geen budget voor. 4. Het is heel moeilijk om deskundig personeel te krijgen, met name verzorgen-den en verpleegkundigen. Enkele verzorgingshuizen ervaren het vinden van een Bopz-arts als een specifiek probleem, maar dit laatste wordt door een meerderheid niet zo ervaren. 5. Er zijn dikwijls financiële knelpunten. Met name de verbouwing, het krijgen van voldoende gekwalificeerd personeel en de aanschaf van extra hulpmiddelen (bijvoorbeeld voor fixatie) wordt als financieel belastend ervaren. 6. De administratieve lasten die de Wet Bopz met zich meebrengt vragen veel extra werk. Het gevaar bij deze knelpunten bestaat dat hiervan een negatief effect uitgaat op in-stellingen die nog een aanvraag voor een Bopz-aanmerking overwegen. Aanbevelingen Hoewel het aanvragen van een Bopz-aanmerking voor de meeste verzorgingshuizen dus noodzakelijk is, wordt dit door nog maar weinig verzorgingshuizen gedaan. Om-dat het alternatief - het overplaatsen van al die psychogeriatrische bewoners die ei-genlijk de extra bescherming behoeven die de Wet Bopz beoogt overplaatsen naar een verpleeg- of verzorgingshuis dat wel een Bopz-aanmerking heeft – in het alge-meen geen reële optie is, zal alles in het werk moeten worden gesteld om ervoor zorg te dragen dat zoveel mogelijk verzorgingshuizen een Bopz-aanmerking zullen aanvragen en ook krijgen. Daartoe worden de volgende stappen voorgesteld: 1. De voorlichting aan verzorgingshuizen kan worden verbeterd. Instellingen blijken wel op de hoogte van de mogelijkheid van het aanvragen van een aanmerking, maar zijn lang niet altijd doordrongen van de noodzaak daar-toe. Dit heeft deels te maken met onbekendheid met de Wet Bopz. De voorlichting aan verzorgingshuizen dient zich daarom meer te richten op de inhoud en doelstellingen van de Wet Bopz. 2. Er bestaat veel onbegrip bij instellingen als het gaat om tijdsinspanningen die de procedure vergt om tot een aanmerking te komen. Daarnaast vin-den velen de administratieve handelingen die de Wet Bopz met zich meebrengt een grote belasting. Ook hier kan een goede voorlichting meer begrip teweegbrengen. Naast een inhoudelijke voorlichting van de Wet Bopz, waar ook de brancheorganisatie het voortouw in kan nemen, is het aan te bevelen dat met name het Ministerie en de Inspectie voor instellin-gen meer dan nu het geval is, inzichtelijk maken waaróm een procedure veel tijd kost. Onbegrip bij instellingen leidt tot een negatief effect op ver-zorgingshuizen die nog een aanmerking overwegen. 3. Het is raadzaam een studie te doen naar de noodzaak voor een aparte afdeling. Wellicht kan een verbetering van de rechtspositie van psychoge-riatrische bewoners net zo goed binnen de huidige (bouwkundige) setting van het verzorgingshuis worden gerealiseerd, bijvoorbeeld doordat instel-lingen transparantie betrachten als het gaat om toepassing van vrijheids-beperkende maatregelen. Een dergelijke studie kan worden gedaan door bijvoorbeeld enkele verzorgingshuizen een periode in de huidige setting te laten werken volgens de Wet Bopz, dat wil zeggen waarbij de psycho-geriatrische zorg niet geconcentreerd is op één afdeling. De resultaten daarvan kunnen dan worden vergeleken met verzorgingshuizen die wel volgens de huidige richtlijnen van het Ministerie van VWS en de Inspectie werken en verzorgingshuizen waar nog in het geheel niets geregeld is met betrekking tot toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen en de Wet Bopz. Verzorgingshuizen zouden op hun beurt op dit punt de discus-sie met de Inspectie kunnen aangaan. 4. Uit het onderzoek komt naar voren dat een groot deel van de verzor-gingshuizen het kader dat door de Wet Bopz wordt uitgezet niet passend vindt voor de zorg die in verzorgingshuizen aan psychogeriatrische bewo-ners geboden wordt. In het verlengde daarvan dient de politiek zich op de langere termijn te bezinnen op de geschiktheid van de Wet Bopz als ka-der voor de zorg die in verzorgingshuizen geboden wordt. Een wet die meer aansluit bij de praktijk van de zorg, biedt wellicht meer perspectie-ven. Zolang van een (discussie over) een nieuwe wet nog geen sprake is, zullen verzorgingshuizen echter het doel van de Wet Bopz: bescherming van de rechten van psychogeriatrische bewoners niet uit het oog moeten verliezen en zoveel mogelijk volgens die wet moeten handelen. 5. De overige knelpunten die in dit onderzoek naar voren komen, dienen evenmin uit het oog te worden verloren. Grote knelpunten blijken zich ook voor te doen op het terrein van de personele bezetting. De politiek dient erop geattendeerd te worden dat voldoende gekwalificeerd personeel ook op dit terrein een noodzaak is en dat instellingen dienen te worden onder-steund om geschoold personeel te krijgen. 6. Hoewel financiën niet het grootste probleem blijken in dit onderzoek, komt toch regelmatig naar voren dat het realiseren van een Bopz-aanmerking en het werken binnen het kader van de Wet Bopz veel geld kost, dat lang niet ieder verzorgingshuis kan opbrengen. Met name kleinere verzor-gingshuizen delven het onderspit. Ook dit moet meer politieke aandacht krijgen.

Wet bopz, psychogeriatrie, vrijheidsbeperking, wgbo
Erasmus University Rotterdam
hdl.handle.net/1765/7884
Erasmus School of Health Policy & Management (ESHPM)

Arends, L.A.P. (2001). Implementatie Wet bopz in verzorgingshuizen I. Erasmus University Rotterdam. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/7884