In deze bijdrage bespreken de auteurs de uitspraak van het Kifid over premiestijgingen per contractvervaldatum in consumentenverzekeringsovereenkomsten, zonder dat consumenten met dergelijke premiestijgingen akkoord zijn gegaan. De auteurs plaatsen de problematiek in het juridische kader en zij bespreken de (onwenselijke) gevolgen die gepaard gaan met het maken van een onderscheid tussen premieverhogingen tot 10% en daarboven. Auteurs stellen dat verzekeraars, ongeacht hoe groot de premiestijging per contractvervaldatum is, in beginsel altijd een wijzigingsvoorstel zullen moeten doen. Zij komen tot de conclusie dat in het doolhof dat als gevolg van de uitspraak is ontstaan met behulp van de juiste juridische maatstaven een uitweg is te vinden.