Beleggers in Nederlandse beursvennootschappen proberen steeds vaker schade te verhalen die zij hebben geleden doordat zij direct of indirect zijn afgegaan op (beweerdelijk) misleidende informatie. Een bekend en relatief recent voorbeeld hiervan zijn de verschillende aansprakelijkheidsprocedures die aandeelhouders in Fortis hebben ingesteld tegen onder meer de vennootschap en haar voormalige bestuurders, omdat Fortis in de periode september 2007 tot oktober 2008 (beweerdelijk) misleidende mededelingen heeft gedaan over onder meer haar blootstelling aan bepaalde subprime-risico’s en de solvabiliteits- en liquiditeitspositite ten tijde van de integratie van ABN AMRO in 2008. Informatie die de werkelijkheid mooier voorstelt dan zij is, leidt tot kunstmatig hoge koersen van effecten. Als de werkelijkheid naar buiten komt, leidt dit tot scherpe koersdalingen. De beleggers die beleggingsbeslissingen hebben genomen op basis van de misleidende informatie, lijden daardoor schade. Aangezien beursvennootschappen honderdduizenden tot wel miljoenen aandeelhouders en houders van andere effecten hebben, leidt misleidende informatie tot schade bij grote groepen beleggers. In dat geval spreekt men ook wel van ‘massaschade’.

Een van de meeste complexe, maar daarmee zeker niet minst interessante, vragen die speelt in een door gedupeerde c.q. teleurstelde beleggers ingestelde aansprakelijkheidsprocedure wegens misleiding van het beleggende publiek, is die van het rechtens vereiste causaal verband tussen de (beweerdelijk) misleidende informatie en de ingetreden koersschade. De eerste gedachte die opkomt, is waarschijnlijk dat het aan de eisende beleggers is om aan te tonen dat zij tot aankoop van de effecten zijn overgegaan in vertrouwen op de mededelingen die – achteraf bezien – misleidend bleken te zijn. Voor individuele beleggers is dit bewijs moeilijk te leveren. Dit leidt tot een handhavingsleemte en draagt niet bij aan een wenselijke gedragsnormering van beursvennootschappen en haar functionarissen. Veel beleggers zijn bovendien niet rechtstreeks afgegaan op de misleidende mededelingen, maar op afgeleide informatie in analistenrapporten of de financiële media of op informatie van adviseurs. Is dat voldoende om het rechtens vereiste causaal verband aan te nemen? Tot slot zijn veel beleggers helemaal niet – hetzij direct, hetzij indirect – op de misleidende informatie afgegaan. Zij worden echter wel geconfronteerd met een koersdaling die niet zou zijn ingetreden als de misleiding niet zou hebben plaatsgevonden. Op welke wijze moet het causale verband in deze categorie gevallen worden geconstrueerd en aangetoond? Het afwijzen van aansprakelijkheid in deze gevallen maakt schade door misleidende mededelingen de facto onverhaalbaar en sanctionering van onwenselijk gedrag illusoir. In al deze gevallen speelt bovendien de vraag hoe praktisch moet worden omgegaan met het bewijs van causaal verband als grote groepen aandeelhouders massaschade proberen te verhalen. Het verlangen van individuele bewijsvoering in honderdduizenden zaken is een onbegaanbare weg. Deze dilemma’s spelen op dit moment in lopende juridische procedures en zullen naar verwachting in toenemende mate spelen.

Additional Metadata
Promotor M.J. Kroeze (Maarten) , S.D. Lindenbergh (Siewert) , H.M. Vletter-Van Dort (Hélène)
Publisher Kluwer
Persistent URL hdl.handle.net/1765/113145
Note For copyright reasons there is an embargo for this dissertation
Citation
Pijls, A.C.W. (2018, December 7). Misleidende beursberichten : Kwesties van causaal verband en schade. Kluwer. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/113145