Inleiding

De Tweede Wereldoorlog kent vele gedaanten. Er bestaat een oorlog die we in Nederland gezamenlijk herdenken op 4 en 5 mei. Er bestaat een oorlog die versteend is in monumenten. Er bestaat een oorlog waarvan we kennis kunnen nemen via boeken, artikelen en debatten in de geschiedwetenschap. Er bestaat een oorlog die gestalte krijgt in het onderwijs en een oorlog in exposities en musea. Het zijn de verschijningsvormen van de oorlog van geëngageerde betrokkenen en herdenkingscomité’s, van historici en publicisten, van educatieve deskundigen en tentoonstellingsmakers. Deze verschillende representaties en herinneringspraktijken komen met elkaar in aanraking, zijn zich doorgaans bewust van elkaar en ook, tot op zekere hoogte, van het onderscheid in wat zij doen en beogen. Alle vormen dragen er toe bij dat de herinnering aan de oorlog levend blijft en streven ernaar die herinnering te delen en over te dragen. Zij geven de oorlog voor en vanuit de Nederlandse samenleving weer. Daarbij doen ze een beroep op historische feiten en ijkpunten zoals 10 mei 1940 en Dolle Dinsdag, koningin Wilhelmina en Anton Mussert, Kamp Westerbork en de razzia van Rotterdam. Maar er is ook een ander gezicht van de Tweede Wereldoorlog. En het is dit gezicht dat hier vanmiddag centraal staat. Als een oorlog die dag in dag uit alom aanwezig is, die door velen – zo niet door allen – wordt waargenomen, maar die los lijkt te staan van de zojuist genoemde verschijningsvormen. Het is een oorlog die gestalte krijgt in bioscopen en in de huiskamer, in het musicaltheater van Soldaat van Oranje, op toeristische bestemmingen in binnen- en buitenland, als individuele bezigheid en in verenigingsverband. Het is de oorlog van avonturenromans en stripverhalen, van computergames en websites, van films en re-enactment, kortom de oorlogsverbeeldingen van en voor doorsnee burgers, dagjesmensen en hobbyisten.
...